Menu

Sociale verhoudingen

Er ontstonden grote verschillen op basis van economische, juridische en sociale positie. Ook was er een onderscheid tussen stad en platteland. De positie van de adel hing samen met het agrarisch inkomen en de regionale verschillen in politieke en economische macht. De geestelijkheid nam een hoge positie in. De stedelijke bevolking nam een positie in aan de hand van beroepsdifferentiatie, formeel burgerschap voor een beperkte groep en het geboorterecht of financiële drempels.

Lees meer...

Handel en nijverheid

In het Westen zorgde de commercialisering van landbouw en veteelt voor het ontstaan van het kapitalisme met ontwikkeling van nijverheid en een druk handelsverkeer. In het Oosten was dit echter beperkter en bleef men agrarisch en pre kapitalistisch.

Lees meer...

De positie van vorst en adel

In het Westen ontstonden dynastieke staten met een inperking van de adellijke macht. De steden vormden nu het centrum van macht en cultuur aangezien ze onafhankelijker waren ten opzichte van vorst en adel, de economisch actieve burgerlijke lagen een krachtig tegengewicht waren en een stadscultuur en burgerlijke cultuur ontstond.

In het Oosten en het Midden ontstonden coalities tussen adel en vorst wat zorgde voor een sterke macht van de adel door grondbezit en een onderontwikkeling van steden in die zin dat ze maar klein en met weinig waren en geringe handel vaak in handen van vreemdelingen lag.

Lees meer...

Agrarische ontwikkeling en positie van de boeren

In het Westen verdween de feodaliteit en horigheid vanaf de zestiende eeuw. Dit zorgde voor een ontwikkeling van de vrije boerenstand en een pacht en belastingssysteem. Er ontstonden talloze kleine boerderijen en gemene gronden en langzaamaan een commercialisering van de landbouw.

In het Oosten en het midden werd de horigheid gecontinueerd of vernieuwd na de zestiende eeuw. Men spreekt over de tweede feodaliteit, waarbij boeren lijfeigenen waren en dus onvrij. Een uitzondering hier waren Oost Pruisen en Polen.

De overeenkomsten tussen de westerse horigheid en het oosterse lijfeigenschap was het juridische statuut van horigen en lijfeigenen wat neerkwam op onvrijheid. De verschillen waren een verplichte arbeidsdienst op het domein ten opzichte van landarbeid en huispersoneel en verschillen in belastingen en verplichte leveringen. Uiteraard bestonden er regionale variaties in verspreiding van het lijfeigenschap.

De verklaringen voor de tweede feodaliteit zijn ten eerste terug te vinden in politieke factoren en de rol van adellijke landsheren. Er was sprake van een zwak centraal gezag door oorlog en dynastieke rivaliteit, waarvan de lage adel profiteerde en de landgoederen uitbreidde met de arbeidsdiensten erop en verhoogden zo hun dominiale productie. Ze verkregen voorrechten van het centraal gezag. Ten tweede zijn er de economische factoren. De concurrentie met het westen op diplomatiek en militair vlak was erg duur, er was een lage kwalitatieve ontwikkeling van de landbouw. Men koos voor de kostenvermindering.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen