Menu

De Franse revolutie

De Franse revolutie bood een model van gecentraliseerd bestuur aan wat leidde tot aanpassingen in andere staten met een vorm van direct bestuur en men legde dit model op in de door Frankrijk veroverde gebieden. Een belangrijke verandering was een antigouvernementele coalitie naar aanleiding van oorlogsschulden, wat leidde tot het ontstaan van een revolutionaire situatie namelijk de vorming van twee blokken die de macht opeisten en beide een aanzienlijk deel van de bevolking achter zich hadden staan. Ook veranderde de relatie tussen lokale en centrale macht, de reorganisatie van het land (geografische herverdeling, administratieve veranderingen en een systeem van levée en masse) en een enorme expansie van het staatsapparaat en de centrale administratie (= bureaucratisering). Deze veranderingen leidden tot verzet en contrarevolutie afhankelijk van groepen en regio’s en het proces van staatsexpansie kende drie belangrijke obstakels...

Lees meer...

Van onrechtstreeks naar rechtstreeks bestuur

“Thus national standing armies, national states and direct rule caused each other”

Voor 1750 gebeurde machtsuitoefening voornamelijk op indirecte wijze. Vaak via machtige tussenpersonen die een relatieve autonomie verwierven, profiteerden van de gedelegeerde staatsmacht en meestal behoorden tot de geprivilegieerde leden van de burgers (landsheren, geestelijken, stedelijke oligarchieën en onafhankelijke krijgsheren). De autonomie van deze intermediaire machtshebbers varieerde sterk van staat tot staat en afhankelijk van hun band met de bevolking (mogelijkheid tot gezamenlijke solidariteit tegen de kroon bij endogene adel, mogelijkheid tot banden tussen de burgers en de nationale autoriteiten dankzij buitenstaanders).

Over het algemeen regeerden deze machtshebbers op relatief stabiele wijze, maar er zijn wel enkele nadelen en risico’s aan verbonden namelijk de beperkte macht van het centraal bestuur, plundering door tussenpersonen en opstandigheid van de bevolking en opstandigheid van de tussenpersonen met het gevaar dat gehele regio’s weerspannig zouden worden.

Vanaf 1750 ontstond een overgang van indirect naar direct bestuur dankzij de overgang van huurlingenleger naar een eigen nationaal leger. Huurlingenlegers waren immers steeds een gevaar voor opstandigheid en betrouwbaarheid en zorgden voor een verhoging van de belastingen. Onderdanen in dienst van het leger konden hogere eisen stellen aan de staat en deze militaire reorganisatie leidde tot een expansie van de staatsactiviteit. In de loop van dit proces werden intermediaire machthebbers uitgeschakeld aangezien zij grenzen stelden aan het extractievermogen van de staat. De machthebbers ondermijnden hun autonome macht door coalities aan te gaan met belangrijke segmenten van de onderworpen bevolking.

Belangrijk was wel de noodzaak om de bevolking te homogeniseren qua taal, religie en ideologie. Wel hield dit een risico in omtrent het vormen van een gemeenschappelijk front tegen de heersers. Voordelen van een homogene bevolking zijn een sterkere identificatie met de machthebbers, vlottere communicatie en het gemakkelijker implementeren van een administratieve innovatie van de een naar de andere regio.

Lees meer...

Vormen van weerstand tegen de staat

Deze staatsinterventie lokte uiteraard verzet uit of op zijn minst nieuwe eisen. De inzet hiervoor waren voorwaarden waaronder de staat controle kon uitoefenen of middelen kon vergaren en een soort eisen die de machtshebbers en de gewone mensen konden stellen aan de staat. Variaties hierop waren afhankelijk van de manier waarop dwang en kapitaal de basis vormden van de staatsvorming. Bij dwang intensieve gebieden ging het over de inzet van controle over land en arbeid, bij kapitaal intensieve over de inzet van kapitaal en handelsgoederen en in regio’s van gekapitaliseerde dwang was de inzet vaak eigendomsrechten. Ook was dit sterk afhankelijk van de homogeniteit van de bevolking. Bij een heterogene, gesegmenteerde bevolking was er minder kans op rebellie. Daarentegen was het gemakkelijker administratieve innovaties door te voeren bij een homogene bevolking. Om deze reden zal de staat de bevolking trachten te homogeniseren d.m.v. taal, religie en juridische regels.

Langzaamaan groeide het verzet uit tot een massa opstand aangezien de vragen en acties van de staat botsten met het rechtvaardigheidsgevoel van de burgers, de burgers zich met elkaar verbonden voelden dankzij duurzame sociale banden, sommige inwoners beschikten over machtige vrienden of geallieerden in binnen en buitenland en de staat zelf bekwam kwetsbaar voor aanvallen. Om deze confrontatie aan te gaan, begon de staat te onderhandelen. Dit varieerde sterk: van voorbeeldstraffen tot gesprekken met het parlement. Al bij al leidde dit tot de verplichting van de staat t.o.v. de burgers en omgekeerd. Wel was dit sterk afhankelijk van de dominante klassen in de staat.

Lees meer...

Variaties per regio

Kapitaal intensieve regio’s zijn regio’s waar zich een grote concentratie van kapitaal voordeden. De kooplieden en financiers speelden een centrale rol aangezien zij de financieringsmogelijkheden van de staat vergemakkelijkten door het gebruik van efficiënte en pijnloze belasting op handel of door de aanwezigheden van goede kredietmogelijkheden. Dit leidde tot een spreiding van de financiële inspanningen. Daarnaast legden zij belangrijke beperkingen op aan de controle van de staat op individuen en huishoudens en stonden zij duurzame bureaucratieën of de vorming van een centrale uitvoerende macht in de weg.

Dwang intensieve regio’s hadden machthebber die hun inkomsten uit directe belastingheffing haalden en oorlog voerden via conscriptie. De macht was voornamelijk in handen van landheren en dorpshoofden die een intermediaire controle uitoefenden. Dit kwam meestal voor in streken van extensieve veeteelt en zelfvoorzieningslandbouw met weinig steden en handel (Rusland, Polen, Hongarije). Het ging hier vaak om een combinatie van machtige adel en aanzienlijke staatsbureaucratie.

Regio’s van gekapitaliseerde dwang waren een soort tussensituatie van beide anderen. Het ging om gebieden met uitgestrekte landbouwzones (gewapende lacht in handen van autonome landsheren) en handelssteden (met geconcentreerd kapitaal uit de handel). Vaak gaat het hier om gebieden waar men vaak de term feodaal of in de zeventiende en achttiende eeuw absolutistisch op plakte. Machthebbers steunden hier zowel op landheren als handelaren dus haalden hun inkomsten zowel uit land als handel en creëerden op die manier een duale staatsstructuur. Het gaat hier om staten die vanuit militair en diplomatiek oogpunt de belangrijkste Europese staten waren zoals Engeland, Frankrijk en Pruisen.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen