Menu

Balans der machten

In dat dialectisch proces zijn de grote verliezers talloze lokale heren en territoriale vorsten en werden bepaalde bevolkingsgroepen ook cultureel achtergesteld (Ieren, Welshmen, enz.).

Autonomie

  • steden moesten, ondanks de sterke concentratie van mensen en kapitaal, hun autonomie grotendeels prijsgeven aan de monarchieën omdat de staten geleidelijk over meer machtsmiddelen gingen beschikken
  • Steden kwamen er maar zelden toe als tegengewicht tot de vorsten een duurzame en effectieve samenwerking tot stand te brengen.

Versterking van staatsmacht

Versterking van staatsmacht was dus een overheersend patroon tijdens de late Middeleeuwen:

  • Staten besloegen doorgaans een groter territorium
  • ze concentreerden een groter overwicht aan geweldsmiddelen tegenover andere machtskernen in de samenleving
  • bouwden een ambtenarenapparaat uit voor de rechtshandhaving en de belastinginning

Kerk

verloor in de 14de en de 15de eeuw op alle niveaus terrein:

  • Kruistocht heeft afgedaan;
  • De Kerk werd afhankelijk van wereldlijke heersers;
  • Kerkelijke goederen werden regelmatig belast
  • Exclusieve bevoegdheden van de kerk werden door leken overgenomen (ziekenzorg, rechterlijke uitspraken over huwelijken en ketterij, bestuur, enz)
  • Moreel gezag van de paus nam af door grootmoediger toepassing van aflaten en dispensaties.

Lees meer...

Onderdanen

Vorming van staten

  • oude feodale heren, grootgrondbezitters, vorsten, enz. waren degenen die voor de vorming van de staten zorgden, doordat ze die personen en/of instanties meer macht naar zich toe wilden trekken
  • feodale heren die het in de strijd tegen machtiger rivalen moesten afleggen, verbonden zich soms tegen hun overheersers, en zochten daarbij zelfs steun bij hun natuurlijke tegenstanders in de steden of bij kerkelijke instanties
  • vorming van sterkere machtsconcentraties lokte tegenreacties uit waardoor uitgeschakelde partijen coalities vormden die bij de eerste zwakheid van de overheerser het getij konden doen keren.

=> In dat dialectisch proces ontstonden vormen van vertegenwoordiging en kon men stilaan spreken van enige parlementarisme.

Opvolging

De opvolger van een vorst of een feodale heer na diens dood was een veel terugkerende grond van problemen. Doorheen de tijd werden opvolgingsregels (primogenituur – eerstgeborene, toelating van vrouwen aan de macht, enz.) uitgevaardigd, maar die losten niet alle problemen op.

  • Bij één opvolging op twee rezen immers problemen omdat er meer gelijkberechtigden waren, of omdat de wettige opvolger minderjarig was, onbekwaam of een vrouw (hierbij komt nog in landen waarbij de vrouwen erfrecht hadden de keuze van de huwelijkspartner)
  • Door die omstandigheden kregen die onderdanen die geroepen werden om een nieuwe vorst te erkennen, ruimte om hun voorkeur te laten gelden en om voorwaarden te verbinden aan hun instemming.
  • In heel Europa treft men vanaf de twaalfde eeuw bewijzen aan van het optreden van vertegenwoordigers van verschillende standen, inclusief burgers, bij de erkenning van een vorst en het formuleren van de grondregels van zijn bestuur.

In verstedelijkte gebieden

In verstedelijkte gebieden hebben de burgers niet gewacht op de dynastieke moeilijkheden van hun vorsten om op eigen initiatief overlegstructuren op regionale en interregionale schaal tot stand te brengen

  • behartigden op die manier hun handelsbelangen met alle implicaties inzake munt, rechtspraak en veiligheid.
  • Deze staatsapparaten konden blijven bestaan, daar vorsten in die tijd zich nog niet echt bezighielden met economische zaken.
  • Het vergroten van het territorium vanuit die staatsapparaten en de negatieve gevolgen van dynastieke oorlogen zorgden ervoor dat er toch soms wrijvingen waren.

Waar de balans der machten tussen de vorst en de diverse standen noodzaakte tot geregelde onderhandelingen, bleken de vertegenwoordigers van de onderdanen een daadwerkelijk territoriaal bewustzijn te ontwikkelen (bv. eigen taal gebruiken in rechtsgang).

Lees meer...

Belastingheffing

Moeilijkheden

Het was in Europa betrekkelijk moeilijk voor de monarchieën om de inning van belastingen via eigen ambtenaren of ontvangers in het hele territorium te centraliseren en zo’n netwerk op te bouwen.

  • Reden:

- autonomie van de heerlijkheden, kerkelijke domeinen en steden die geen belastingen dienden te betalen

- inning van de belastingen verkozen ze onder controle te houden. Ze betaalden dan een totaalbedrag voor hun grondgebied. (contradictie: hoe meer de vorst dan belastingen oplegt of geld vraagt, hoe meer die autonome gebieden eisen stelden en autonomer werden)

Zilvergeld

Toch vergemakkelijkte de komst en de circulatie van voldoende zilvergeld in bepaalde regio’s voor een nieuwe vorm van inkomsten voor de koning, namelijk de heffingen in geld.

a) In sommige gebieden zijn belastingen voor de vorst een fiscaal succes, in andere gebieden niet. Voor de bekostiging van de 3de kruistocht werd in Engeland (1185) 10% geheven op de roerende goederen. Dit was een succes dat niet kon herhaald worden bij een gelijkaardig project in Frankrijk doordat er territoriale vorsten waren die machtig genoeg waren om er niet mee in te stemmen te betalen en doordat het principiële bezwaar bestond dat de koning niet eigenmachtig belastingen kon heffen op roerende goederen en inkomsten.

b) In sommige gebieden waren de fiscale opbrengsten groter dan in andere. In Engeland kon men in de vooravond van de honderdjarige oorlog meer tonnen fijn zilver genereren dan in Frankrijk. Deze laatste reageerde met een nieuwe belasting: gabelle (belasting op zout en een heffing van 1/30 van de waarde van de handelswaren).

Aanleidingen voor heffingen

Het heffen van belastingen kwam naar aanleiding van verschillende redenen:

  • Kruistochten
  • Verdediging tegen dreigende invasies (vb. Vikings: als gevolg daarvan werden algemene belastingen geheven en stond bekend onder de naam heregeld.);
  • Verdedigen van territoria, oorlog (hoe meer een vorst zich tot oorlogvoering liet verleiden, des te meer belastingen moest hij aan zijn onderdanen opleggen);
  • Politiek en economisch strijdmiddel (vb. in begin 13de eeuw werden indirecte belastingen geheven op de uitvoer van wol naar de Italianen, Vlamingen en Noord-Duitsers.).

Op termijn niet voldoende

MAAR, op termijn waren sommige redenen niet meer voldoende om belastingen te heffen. Zo werden de begrippen ‘noodzaak’ en ‘noodweer’ opgediept, toen in de 14de eeuw in Engeland het motief van kruistochten niet langer bruikbaar was.

Boycot

Ook bepaalde representatieve instellingen, waarin volksvertegenwoordigers zetelden, konden een belasting van de vorst boycotten. Als bijvoorbeeld een oorlog niet deftig gerechtvaardigd kon worden, dan kon de vorst in bepaalde gebieden niet rekenen op financiële steun (vb. Nederlanden en Engeland).

Belastingen en oorlog

  • Oorlogen lokten steeds nieuwe en hogere belastingen uit.
  • Vorsten lieten zich niet leiden door macro-economische afwegingen en vaak haalden ongeplande uitgaven voor oorlogsdoeleinden de gehele staatsfinanciën overhoop.
  • Oorlogen konden lang duren en daarom moest men steeds veel geld uitgeven, dat tegen hoge interesten geleend was en waarvan de afbetaling en de renten decennia lang met een sneeuwbaleffect op de uitgaven bleven drukken.
  • Die renten zorgden ervoor dat de rijken, die het krediet leverden, meer invloed kregen en rijker werden en dit ten koste van de gewone onderdanen die ervoor moesten zorgen dat de belastingen betaald werden.

Lees meer...

Bureaucratisering

De groei van de beambtenstaat

- concentrische uitbreiding, die begint in de hofhouding van een territoriale vorst

- meest elementaire functies groeiden uit tot gedifferentieerde hofambten, waarvan de structuur min of meer hetzelfde bleef tussen de 12de en de 17de eeuw.

- Engeland liep ver vooruit op de rest van Europa wat betreft bestuurlijke organisatie:

* gevolg van enerzijds de sterke Angelsaksische organisatie en anderzijds de noodzaak voor de Normandiërs om het veroverde land strak in hun greep te houden.

* Reeds vanaf de 12de eeuw splitsten zich uit de koninklijke raad 2 gespecialiseerde hoven: de ‘Bench of Common Pleas’ (centrale koninklijke rechtbank voor vrije mannen) en de ‘Exchequer’ (rekenhof).

De rol van de geestelijkheid in het prille staatsapparaat

Voor het opstellen en uitgeven van schriftelijke stukken deden de vroegste vorsten een beroep op de geestelijken in hun omgeving, die immers de enigen waren die konden lezen en schrijven.

De geestelijken bekleedden dus belangrijke functies in binnen kanselarijen (vorstelijke schrijfkamers), maar ook als raadsheer en diplomaat (hun internationaal gestandaardiseerde opleiding, kennis van het Latijn, onschendbaarheid van hun rechtspositie en het vertrouwen dat hun geestelijke status uitstraalde zorgde ervoor dat ze perfecte diplomaten waren). Op een heel directe als discrete manier kon de Kerk haar eigen belangen verdedigen.

De bestuurstaal

Doordat de geestelijkheid wat bestuurszaken belangrijke posten bekleedden en de enigen waren die konden lezen en schrijven, aanvankelijk toch, was het Latijn van de Kerk in heel Europa ook de bestuurstaal van de vroege staten.

Rond het midden van de 13de eeuw zouden in het Westen toch de volkstalen doordringen tot de officiële documenten. Gevolg is dat burgers een grotere rol zullen spelen in het bestuur en het landsbestuur in alle opzichten toegankelijker wordt voor de onderdanen. Vorst, ambtenaren en vertegenwoordigers van onderdanen konden zo rechtstreeks met elkaar praten (vandaar de term ‘parlement’).

Er bestond weliswaar nog het probleem dat er in ieder taalgebied een veelheid aan regionale talen bestond.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen