Menu

Het verloop van de oorlog 1579-1598

De grondslagen van de militaire successen zijn reeds geschetst. De voorspoed is toch vooral aan Spanje zelf te danken dat zijn aandacht op Frankrijk had gericht. Maurits en Oldenbarnevelt hebben de geboden kans ook ten volle weten te benutten, de jaren 1590 was de periode waarin de oostelijke en noordelijke provincies definitief gewonnen werd. Dit was het gevolg van het overleg tussen Maurits en zijn neef de Friese stadhouder Willem Lodewijk waardoor de veroveringen van steden als Groningen, Steenwijk, Delfzijl en Coevorden vooraan op het programma kwamen. Zo werden geheel Friesland, Drenthe, Groningen en later Gelderland en Overijssel op Spanje heroverd, zij zouden voortaan mee de last van de oorlog kunnen dragen. Deze zou nu voortgezet moeten worden in Brabant en Vlaanderen.

Zie kaart HB p. 123.

Lees meer...

De plaats van de kerk (3) 1579-1598

Er zijn heel wat discussies gevoerd over wat nu centraal stond in de opstand, politiek of geloof, strijd voor de vrijheid of voor de kerk. Dit is echter een vals dilemma: het vrijheidsideaal van de opstand verloor zijn zin zonder vrijheid van denken en die was onverenigbaar met het katholicisme van de late 16e eeuw. De kerk van de vrije Nederlanden kon niet anders dan protestants zijn.

Over de aard van dat protestantisme kon getwist worden. Sommigen legden de nadruk op vrijheid, de kerk moest open staan voor iedereen. De zuiverste expressie daarvan was de libertijnse kerk die op het eind van de 16e eeuw in Utrecht heeft bestaan. Ze oefende geen controle uit en aan niemand werd voorwaarden gesteld.

Een ander model is echter dominant geworden: het calvinisme. Calvinisten wilden overeenstemming over de wezenlijke geloofspunten, ze streefden bovendien naar een hechte kerkelijke organisatie die de onderlinge controle zou bevorderen, zo zou de zuiverheid van de leer gewaarborgd worden. Lidmaatschap was hier dus niet vrijblijvend, ze was wel vrijwillig. Dat heeft haar groei ongetwijfeld belemmerd. Wie lid wilde worden van de Calvinistische kerk moest weten waarvoor deze stond en moest er de verplichtingen van aanvaarden. Belangrijk is te onthouden dat er over de kerk spanningen bleven bestaan maar dat deze, zolang de oorlog tegen Spanje de volle aandacht opeiste, onder de oppervlakte bleven sluimeren.

Lees meer...

De bestuursvorm van de Republiek (4) 1579-1598

De Republiek was een statenbond van zelfstandige gewesten, vanaf 1594 op zeven vast blijven liggen nl. Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijsel en Groningen. Drenthe was wel zelfstandig maar had geen zitting in de hoge vergadering, de Generaliteitslanden (de veroverde gedeelten van Vlaanderen en Brabant) werden vanuit Den Haag bestuurd. De zeven hadden een gelijk aandeel in de macht en konden belangrijke beslissingen met een tegenstem blokkeren.

De gewesten hadden zich in de unie van Utrecht (1579) verbonden om samen oorlog te voeren tegen Spanje. Ze hadden daarvoor één leider, Willem van Oranje en één orgaan van overleg, de Staten-Generaal. De oorlog tegen Filips II had als doel de handhaving van vrijheden en privilegies van de provincies, het noodzakelijke middel daartoe was samenwerking. Een leider zou dus altijd een middenweg moeten vinden tussen twee in de grond onverenigbare idealen.

Deze staatsinrichting bemoeilijkte de concentratie van de macht in één hand en dat op alle niveau's. Bovendien werd willekeur beperkt door de beslissingsmacht te verlenen aan colleges en niet aan een individu. Gevolg was dat besluiten van de Staten-Generaal altijd de wil uitdrukten van een behoorlijke meerderheid.

Naast al deze colleges was er nog de belangrijke functie van stadhouder. Gewoonlijk waren het er twee: één in Friesland, Groningen en Drenthe en één in Holland en de overige gewesten. Geen van beide had bevoegdheden in de staten van de andere. Willem van Oranje was stadhouder van Holland geweest, na zijn dood moest er een nieuwe komen met genoeg prestige om voor iedereen aanvaardbaar te zijn.

(verder zal met "stadhouder" altijd die van Holland bedoeld worden tenzij expliciet anders vermeld)

Prins Maurits van Nassau volgde zijn vader als stadhouder op. Hij was een briljant militair maar politieke ambitie had hij niet. De feitelijke regeringsleider was Johan van Oldenbarnevelt. Beiden werkten in 1588 ééndrachtig samen.

Johan van Oldenbarnevelt was Hollands advocaat van den lande (later zou dit raadspensionaris heten), dit betekende dat hij na de stadhouder de hoogste abtenaar van de provincie Holland was. De raadspensionaris van Holland was een van de groten van de republiek maar zou nooit de stadhouder in belang overtreffen. De raadspensionaris was immers slechts vertegenwoordiger van een deelbelang (Holland). Bovendien verkreeg hij status door zijn ambt, de stadhouder bracht die status al mee bij zijn aantrede. De stadhouder was ook opperbevelhebber van leger én vloot die hij beiden wel enkel in dienst van de Republiek mocht inzetten, dit bleek evenwel een rekbare beschrijving.

Lees meer...

Hollands welvaart (2) 1579-1598

Buitenlandse bondgenoten had de Republiek kunnen vinden maar deze zouden pas in actie komen als de Republiek zelf ook eigen kracht bezat. Tegen het einde van de 16e eeuw werd duidelijk dat dit inderdaad het geval was, de Republiek had geld.

De Nederlanden beschikten al lang over een sterke handel en nijverheid. Voor de opstand was Antwerpen het dominerend middelpunt. De dynamiek van het economisch leven verplaatste zich na de opstand naar het noorden, met Amsterdam als dé commerciële hoofdstad van Europa. Het begin van deze overgang is 1585, de val van Antwerpen waarna de bevolkingsbeweging van zuid naar noord in omvang toenam. Arbeidskracht, talent en kapitaal verhuisden naar Holland en Zeeland.

In de zestiende eeuw ontstond ook een mondiale economie, Oost-Azië, West-Afrika en Amerika werden in het netwerk opgenomen. Deze verre reizen zorgde ervoor dat handelaars hun aankomst in deze gebieden niet nauwkeurig konden voorspellen en dat het vaak onzeker was of de gewenste producten er dan aan een aanvaardbare prijs voorhanden waren. Daarom was er nood aan een grote centraal gelegen markt waar alle goederen verzameld konden worden, Amsterdam kwam daarvoor, door zijn gunstige ligging, in aanmerking.

In Holland was bovendien het scheepsbezit gespreid (één schip kom soms honderd eigenaars hebben), winst en schade werd zo gedeeld maar wat belangrijker was is dat ook het geld van kleine beleggers actief werd benut.

Holland bood op zijn stapelmarkt ook eigen producten aan uit zowel de nijverheid (Leids laken, Harlems linnen) als de landbouw (boter, kaas, koolzaad, vlas).

De republiek hield bovendien de Schelde gesloten en blokkeerde de Vlaamse havens waardoor veel Antwerpse handelaars met hun kapitaal, deskundigheid en handelsrelaties met de centra aan de Middellandse Zee noordwaarts trokken.

Een buitengewoon gelukkige combinatie van omstandigheden zorgde samen voor de Hollandse welvaart. Er vloeide veel geld naar het land maar dit betekende niet dat de overheid ook over ruime middelen beschikte. Holland heeft een belastingstelsel ontwikkeld dat uitermate geschikt was voor een land waar de meerderheid van de bevolking zich in de middengroep (noch arm, noch rijk) bevond. Naast een kleine belasting op het totale inkomen, de verponding haalde de overheid het meeste van haar inkomsten uit indirecte belastingen op consumptiegoederen.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen