Menu

Information-Processing Analyses (IPA)

Al het eerdergenoemde leidde tot IPA: probeert cognitie te verklaren in setjes stappen, waarbij een abstracte entiteit, genaamd informatie, wordt gevolgd: Sternberg paradigm: Mensen moesten setjes van getallen (1-6) in een bepaalde volgorde onthouden en dan zo snel mogelijk antwoord geven als een gevraagd getal voorkwam in die reeks. Hij vond een lineair verband tussen de grootte van het te onthouden setje en de responstijd op de vraag.

Volgens hem moet 1) de stimulus gedecodeerd worden en 2) het vergeleken worden met de opgeslagen set. (kost ongeveer 38ms). Tegenargumenten van deze onderzoeksmethode:

1. moet IPA wel geconceptueerd worden in termen als breinlocatie en breinprocesgang

2. de manier van werken werd voornamelijk uitgevoerd met symbolen als ‘9,7,3’

3. Sternberg legde een relatie met de hogesnelheidsscans van een computer

4. metingen met tijdsverloop is een kritieke variabele: dit suggereert dat het verwerken van informatie in begrensbare stappen plaatsvindt.

Na 1970 werden 3 kwesties overheersend:

1. Relevantie: hieruit kwam na voren dat laboratorium onderzoek wel degelijk helpt bij het verklaren van bepaalde werkelijke fenomenen, maar niet altijd bij praktijksituaties aansluit: Neisser is hier een belangrijke schrijver bij geweest.

2. Sufficiency (hier +/- bekwaamheid): Sternberg verklaarde simpele processen: is men ooit in staat dergelijke complexe processen te verklaren? Volgens Newell moest men zich meer gaan weiden aan menselijke cognitie. Als antwoord hierop hebben psychologen als Anderson (1983) getracht meer begrijpelijke theorieën te ontwikkelen, genaamd: Cognitive architectures, daar het beschrijft hoe een compleet cognitief systeem functioneert.

3. Necessity: is de Sternberg-theorie wel de manier waarop het menselijke brein functioneert? Anderson schreef een artikel in 1973 waarin hij Sternberg en andere modellen onderuithaalt en pleit voor het toenemende geloof in theorieën die verenigbaar zijn in wat ook wel bekend is als “brain functioning”. In het laatste tiental jaren van de 20e eeuw werd Cognitive Neuroscience belangrijk. Om de menselijke cognitie (het kennen) te begrijpen is het noodzakelijk om basiskennis te verwerven van de structuren en processen in het brein.

Lees meer...

Cognitieve wetenschap VS Cognitieve psychologie

Kort hierna ontstond de cognitieve wetenschap: integreerde conclusies van diverse onderzoeken op het gebied van psychologie, filosofie, taalwetenschappen, neurologie en AI. Cognitieve wetenschap maakt ten opzichte van cognitieve psychologie meer gebruik van computersimulatie, cognitieve processen en logische analyses terwijl cognitieve psychologie sterk leunt op experiment-technieken voor het bestuderen van gedrag.

Lees meer...

Anderen interpreteren als volgt

Klinische psychologie: hoe mensen denken is belangrijk om te begrijpen waarom bepaalde gedachtestoornissen voorkomen.

Sociale Psychologie: hoe mensen zich gedragen bij andere mensen of in groepen.

Economics: hoe worden economische beslissingen genomen

Politiek: hoe overreding in zijn werk gaat etc

Niet alle wetenschap baseert zich op de cognitieve psychologie. Het is immers nog in opkomst en andere takken wetenschap hebben bepaalde (hogere-orde) fenomenen kunnen vaststellen door andere principes dan de cognitieve wetenschap ontdekt zijn. Wanneer we in staat zouden zijn om deze fenomenen te verklaren in cognitieve mechanismen en omgekeerd, dan zouden we een beter grip hebben op die fenomenen: m.a.w. als we het menselijk beslissen

beter begrijpen dan kan tevens de afwijkende manier van denken van de economisten voor het nemen van rationele beslissingen begrepen worden (dus blijft vaag!)

Empiricism = alle kennis komt door ervaring (Berkeley, Locke, Hume, Mill)

Nativism = kinderen komen ter wereld met een groot deel aangeboren kennis (Descartes, Kant)

Wundt: (1879) opende het eerste psychologisch laboratorium in Leipzig en was een van de eerste cognitieve psychologen. Zijn gebruikte onderzoeksmethode was Introspectie. Goed getrainde observeerders rapporteerden de inhoud van hun eigen bewustzijn onder streng gecontroleerde condities. Volgens hen stond onze geest open voor zelf-observatie en zijn we middels intensieve zelf-inspectie in staat om onze primitieve ervaringen, die worden gevormd

uit onze gedachten, te identificeren.

Mayer en Orth experimenteerden door te kijken naar het tijdsverloop van het lezen van een woord tot aan het vormen van een gedachte/verbeelding hierbij. Niet altijd kon men er wat bij bedenken/associëren. Hierdoor ontstond een debat over de kwestie van verbeeldingsloze gedachten: of (bewuste) belevingen werkelijk gescheiden kunnen worden van concrete inhoud. Op basis van dit heeft de psychologie een ontwikkeling ondergaan (hfst 4 en 5) Later begon ieder zijn eigen onderzoeksmethode te ontwikkelen en werd het een ‘zooitje’ waardoor het vertrouwen in de theorie begon te wankelen. De VS konden zich niet echt vinden in de Duitse benadering. VS zagen meer in het pragmatisme(als werkelijkheid voorstellen) en functionalisme(doelmatigheid). Het gebrek aan onderzoeksgebied en de irrelevantie leidde tot de ontwikkeling van John Watson’s Behaviorism. Volgens hen was alles te verklaren door hoe iemand zich gedraagt in een bepaalde omgeving: de omgeving lokt een bepaald gedrag uit. Een van de bijdragen van de behavioristen zijn bepaalde onderzoeksmethoden voor alle gebieden op psychologisch gebied. Zijn ´opvolger´ was B.F. Skinner. Skinner was het wel eens met de 4 stellingen van Watson, maar niet met zijn ideeën over dat gedrag als reflexen kan worden gezien. Volgens Skinner veroorzaken stimuli geen responsies maar zijn de stimuli de consequenties van responsies. Skinner introduceerde het begrip: “operant response” dat het volgende inhield: het verwijst naar gedrag dat plaatsvindt door manipulatie van de omgeving zodat er een of andere consequentie ontstaat. Met andere woorden: wanneer een dier ontdekt dat het door een druk op een knop een bepaalde hoeveelheid voedsel krijgt, zal het dier de knop met een steeds hogere frequentie indrukken. In Nazi tijd emigreerden een aantal Duitse wetenschappers naar de VS en zetten daar de Gestalt-psychologie voort: zij leerden door experimenten bij dieren.

In de psychologie ontstond de theorie over de atomische structuur van de mens, maar behavioristen gaven aan dat je die interne structuur niet nodig had voor het begrijpen van menselijk gedrag (zie onderzoek van Anderson & Bower)

Cognitieve psychologie, zoals we die nu kennen, ontstond uit de volgende 3 invloeden:

1. onderzoek naar menselijk doen en laten (human performance), vooral in WO II

wilde men weten hoe mensen informatie oppakten en hoe soldaten te trainen. Donald

Broadbent ontwikkelde hierbij de informatie theorie (information theory): een

afgeleide manier van het analyseren van het proces omtrent informatie.

2. Artificial Intelligence: hoe krijgt men computer intelligent: directe invloed was

minimaal, echter indirect is hierdoor veel onderzoek gedaan naar menselijke

intelligentie. (Simon & Newell)

3. Taalwetenschappen: Chomsky : ontwikkelde een nieuwe manier voor het analyseren

van de taal. Hij toonde aan dat taal veel gecompliceerder was dan tot toen werd

aangenomen en dat bepaalde formuleringen niet capabel waren voor het dekken van

dit complexe gebied.

Lees meer...

Motivattie hersenen

A.I. is nog niet in staat om een programma te ontwikkelen dat de werking van de hersenen van een mens kan evenaren.

Theorie van Simon: wanneer we gedetailleerd kijken naar de menselijke geest, dan kunnen we constateren dat het basis cognitieve processen op een complexe manier samen laat smelten dat leidt tot briljante resultaten.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen