Menu

De Westerse Kerk in de Vroege ME

  • Monniken

- ascetische geloofsbelijdenis

- onbereikbare idealen voor gewone gelovigen

- zielenheil verwerven via schenkingen aan abdijen en kloosters

=> gevolg: stijging van de rijkdom van abdijen en kloosters

  • Vermenging kerkelijke en wereldlijke belangen

- Talrijke abdijen waren bezit van leken

- Inspraak van leken in benoeming van abten en bisschoppen

- Bisschoppen en abten hadden inspraak in het wereldlijk bestuur

Lees meer...

Ridders en boeren in het middeleeuws maatschappijbeeld

  • Ruiters worden ridders

Einde Vroege ME

einde Vroege Middeleeuwen: belang van de zwaarbewapende ruiterij nam toe => verregaande professionalisering van de milites, gewapende ruiters te paard

- Milites: zowel aristocraten, boeren als onvrijen

- speelden belangrijke rol in de oorlogsvoering en hiermee ging een stijging van hun prestige gepaard

- Koningen gingen zich meer en meer met deze ruiters identificeren.

  • Stilaan ontwikkelde deze groep een eigen ere- en gedragscode en de toegang tot deze groep werd geformaliseerd door ceremonieën met vaste rituelen
  • Ontstaan ridderorde of ridderstand

De Kerk

ondersteunde deze elitaire groep vanuit het idee van de miles Christi (soldaat van Christus)

- titel werd in Vroege Middeleeuwen gebruikt voor de clerici, monniken en bischoppen

- omstreeks het midden van de 11e eeuw: titel voor wereldlijke milites in een poging om deze groep voor de kerk te winnen => ridderlijke deugden (moed, trouw, loyaliteit) werden uitgebreid met specifieke christelijke deugden (godsvrucht, bescherming van weerlozen en het behoud van vrede)

Nieuwe religieuze ridderorden

Na afloop van de eerste kruistocht ontstonden in het Heilige land dan ook nieuwe religieuze ridderorden om de heilige plaatsen te beschermen.

De belangrijkste zijn:

- Orde van de Tempel (Tempeliers)

- Orde van het hospitaal van Sint-Jan te Jeruzalem (Johannieters)

- Orde van het hospitaal van de Heilige Maria van de Duitsers(Teutoonse orde)

Zowel geestelijken als leken konden tot dergelijke orden toetreden. Alleen de leken legden een gelofte van strijd af.

Kritiek

- Vanaf XII, vanuit de klerikale kring => hevige kritiek op de uitdossing van de ridders => vonden dat ze op vrouwen lekenà gouden en zilveren sieraden

- Later: ook kritiek op de toernooien en steekspelen:

* boden nieuwe militaire elite volop gelegenheid om met fysieke kracht en behendigheid te pralen

* zo’n toernooi bracht veel doden met zich mee dus verbood de kerk het

* toch haalde het verbod niets uit, dus in 1139 mochten gestorven ridders tijdens zo’n toernooien niet christelijk begraven worden.

    • Hoofse cultuur: nieuwe spelregels voor het verkeer in hoge kringen

Ridderorde ontwikkelde tevens een eigen cultuur => tijdens inwijdingsceremonie werd gedragscode ingeprent via morele traktaten, leerdichten en nieuwe literaire genres die deel uitmaakten van de zogenaamde Hoofse culuur.

We kunnen de Hoofse cultuur in drie genres opdelen:

  • Chanson Geste:

epische teksten waarin de daden van één persoon centraal staan en waarvan de stof gewoonlijk is ontleend aan de tijd van Karel de Grote

  • Hoofse lyriek (troubadourpoëzie):

complete poëzie met een precieze vorm en een nieuwe levensvisie. De platte erotische verzen ontbraken ook niet, waarin de vrouw meestal op een voetstuk wordt geplaatst en de leven tussen man en vrouw verheven wordt tot een ideaal voor morele zelfvervulling, dat bereikt wordt na hevige conflicten

  • Ridderromans:

verenigde elementen uit de chansons de geste en hoofse lyriek. Ze geven een sterk beeld van de werkelijkheid en staan stijf van de erotische en mystiek – religieuze symbolen

Belangrijkste kenmerken van het ‘hoofse lied’

- dienstbaarheid van de man aan de vrouw

- morele veredeling waartoe de hoofse liefde leidt

- wat in deze hoofse literatuur beschreven wordt is slechts een flauwe afspiegeling van de realiteit

- beoefening van de hoofse liefde behoorde een geraffineerd en ondeugend spel te zijn dat zijn eigen, ingewikkelde spelregels kende

- hoofse werd aan de vorstenhoven behandeld in speciale gezelschapspelletjes, zoals de ‘rechtbank der liefde’ en de zogenaamde jeux partis.

    • Tendensen tot rangordening en afsluiting

Tijdens de tweede helft van de 12e eeuw tekende zich binnen de ridderstand twee tendensen af

- Tendens tot interne rangorde: onderscheid maken tussen ridders van oud – adellijke en ridders van niet adellijke afkomst en het creëren van aparte rangen

- Tendens tot afsluiting: de ridderstand werd erfelijk. Deze evolutie gaf aanleiding tot het ontstaan van de rang van schildknaap.

  • Boeren

De kleine vrije boeren verloren vanaf de Karolingische tijd niet alleen hun aanzien maar ook vaak hun vrijheid. De opkomst van de ridderschap en de groei van steden leidden vervolgens tot een toenemende negatieve stereotypering van boeren.

Negatief beschreven in literatuur van die tijd

- boeren werden vergeleken met beesten

- in moppen was hun domheid, vunzigheid en gewelddadigheid vaak het middelpunt

- ze zouden maar één waardigheid bezitten: hun christelijkheid

- boeren zijn laffe lomperds die geen maat weten te houden

Nuancering

Boeren werden natuurlijk niet altijd negatief afgeschilderd. Hier past om drie redenen een genuanceerde visie.

- de lastendruk van de boeren verminderde gedurende de expansiefase langzaam, ze waren zelf naar middeleeuwse normen niet rechteloos

- het steeds opener karakter van de agrarische economie in de loop van de expansiefase bood boeren kansen om op verschillende product- en factormarkten te opereren

- de maatschappelijk onderhandelingspositie en politieke mondigheid van boeren is aanzienlijk verbeterd door de ontwikkeling van dorpsgemeenten

In geval van nood

- MEse boeren deinsden niet terug voor georganiseerd gewapend verzet tegen onderdrukkende heren en daarbij toonden ze zich lang niet zo weerloos als in de literatuur werden voorgesteld

- XIII: bij verschillende gelegenheden ridderlegers door boerenmilities in de pan gehakt, vb 1227 bij het Drentse dorpje Ane

- ook als het niet hard tegen hard ging, stonden de boeren hun mannetje, zoals blijkt uit talrijke processen die ze, individueel of collectief, voor hogere rechtbanken uitvochten tegen adellijke of geestelijke grootgrondbezitters en die heel vaak gingen over voor hun dagelijkse bestaan wezenlijke zaken als het gebruik van bossen en venen.

Lees meer...

Nieuwe vormen van heerschappij

Gevolg toenemende bewoningsdichtheid = encelullement: mensen werden in deze periode ingedeelde en opgenomen in allerlei verbanden van lokale organisatie

=> zowel van onderaf (vorming lokale gemeenten) als van bovenuit (vestiging lokale heerschappijen)

  • De ‘banale revolutie’

Banale revolutie

uiteenvallen van het Rijk van Karel de Grote = begin patrimonialisering van de hoge Karolingische bestuursambten ambtsdragers gingen het bezit persoonlijk en erfbaar beschouwen

→ In Frankrijk gebeurde dat eerder en meer uitgesproken dan in het Duitse Rijk

→ rond het jaar het jaar 1000 waren in beide oude Karolingische rijksdelen de tendens tot territoriale vorstendommen onder het niveau van koninkrijken ingezet

→ tweede stap = herhaling van de eerste op een lager ambtelijk niveau.

=> Dit verschijnsel, de creatie van lokale banheerlijkheden of seigneuries, wordt vanwege zijn verstrekkende gevolgen wel aangeduid als de banale revolutie

Nulle terre sans seigneur

Vroege Middeleeuwen:

- heerschappij voor de gewone man was ondenkbaar

- REDEN: koninklijke macht was diffuus en slechts onder bepaalde omstandigheden in een vaag begrensd territorium werd geëffectueerd.

Einde X

- snelle verandering

- aantal heren vermenigvuldigde zich en heerschappij kreeg een lokale dimensie, die voor alle mensen die niet tot de aristocratie of de geestelijkheid behoorden voelbaar werd.

=> vanaf dat moment was er een nulle terre sans seigneur (geen land zonder heer)

Uit wat bestond nieuwe lokale exploitatie van koninklijke bannus?

- uitoefening van de rechtspraak: gaf banheren het excuus voor arrestatie van personen en confiscatie van goederen

- oplegging van algemene belastingen (wat niet gelukt was op rijksniveau)

- opleggen van hand- en spandiensten: verplichte hulp bij werkzaamheden

De handhaving van banale heerschappij ging dan ook vaak gepaard met ongebreidelde geweldplegingen tegen lokale boeren.

De Kerk

Kerkelijke heren en instellingen piepten vooral wanneer het geweld van lokale banheren zich tegen hun bezittingen richtten

=> MAAR: traden zelf vaak net zo hard en gewelddadig op tegen degenen die aan hun eigen heerschappij onderworpen waren

Middelen tot gezagshandhaving

Banale heerschappij met een dergelijk gewelddadig karakter zouden zich minder gemakkelijk hebben kunnen vestigen als seigneurs zichzelf niet hadden voorzien van twee krachtige middelen tot gezagshandhaving:

  1. kasteel

- voornaamste doel van kastelenbouw

≠ bescherming lokale bevolking

= beheersen van de omgeving in de letterlijke zin van het woord

- nieuwe type kasteel: kunstmatige hoogte, met daarop een houten of stenen toren, die verschillende verdiepingen telde en alleen via een trap naar de eerste verdieping toegankelijk was

- Alleen in Italië en Zuid-Frankrijk ontstonden compleet versterkte nieuwe nederzettingen met daarin een kasteel

=> Dit verschijnsel wordt in de literatuur incastellamento (verkasteling) genoemd.

  1. 2. bende van goed bewapende krijgers.

  • Regionale verschillen en feodo – vazallitische ‘verpakking’

Banale heerschappij in de hierboven beschreven zin, gebaseerd op het gebruik van hard geweld, kennen we vooral aan de hand van studies over delen van Frankrijk, waar het koninklijk gezag vanaf het einde van de IX ernstig verzwakt was.

Omgekeerd zou banale heerschappij zich niet hebben kunnen ontplooien in het Duitse Rijk (althans in het Duitse deel ervan).

Verschillen Frankrijk – Duitse Rijk

- Duitse Rijk: banheerlijkheden ontwikkelden rechtstreeks uit aristocratisch grootgrondbezit en daarmee verbonden domaniale grondheerlijkheid

- Duitse Rijk: veel banheerlijkheden wortelden in voogdij over kerkelijke immuniteiten

- Duitse vorsten regelden hele publieke orde in 1 keer, zodat vestiging van lokale heerschappijen vaker dan in Frankrijk voorkomen werd

Seigneuries in de periferie van Karolingische Rijk

Proliferatie van op dwang gefundeerde lokale heerschappijen waarop koningen noch territoriale ambtsdragers greep hadden.

* soms versterkt door toevallige politieke omstandigheden

Voorkomen anarchie

Door het steeds stelselmatiger gebruik van feodo – vazallitische relaties werd langdurige anarchie voorkomen

=> DUS: verzwakking van koninklijk gezag + vorming proto – territoriale vorstendommen naast lokale heerschappijen ≠ feodale anarchie!

Verdwijnen banale heerschappijen

Koningen / andere territoriale vorsten: streven naar monopoliseren en centraliseren van allerlei als ‘publiek’ erkende kerntaken:

- rechtspraak

- geweldgebruik

- bestuur

- wetgeving

* opruiming autonome seigneuries

* bezit van heerlijkheid werd gepolitiseerd è onderdeel van mechanisme tot distributie van politieke macht

  • Veranderingen in de surplus – extractie. Aanpassingen in de domaniale economie

Verschuivingen in agrarische surplus – extractie

> vestiging van seigneuries

  • Voor

Overheveling kreeg haar beslag via gedwongen landarbeid en afdracht van overschotten door horige boeren binnen het kader van hofstelsel en heerlijkheid

  • Na

Banheren exploiteerden mensen – horig of niet – binnen een welbepaald territorium op basis van geüsurpeerde ‘overheidsrechten’

Evolutie van het hofstelsel

Raakte overal in verval => oorzaken?

  • geldnood

- aan de zijde van aristocratie: relatieve verarming door bevolkingsaanwas waardoor erfenissen steeds kleiner werden

- versterkt door schenkingen aan kerkelijke instellingen

  • stijgende lasten

duurder militair bedrijf > opening handel Midden – Oosten => aristocratische levensstijl werd verfijnder, maar ook duurder

Omkering van land – labour ratio

= schaarsteverhouding tussen de productiefactoren grond en arbeid

Bevolkingsgroei => land schaarser + arbeid overvloediger en goedkoper

Grootgrondbezitters: 2 mogelijkheden

  1. directe uitbating van domeinen opgeven en dan ook het indominicatum (herenland) in zijn geheel of in stukjes in erf – of termijnpacht geven
  2. exploitatie voortzetten met behulp van betaalde landarbeiders

- XI – XII: grootgrondbezitters kozen 2de optie

- Op de langere termijn kreeg eerste alternatief toch de voorkeur

Horige arbeidsdiensten

Horige lasten mochten geleidelijk worden afgekocht => 3 gevolgen:

  1. horigheid verloor op den duur elke reële betekenis => sociale verschillen en geografische mobiliteit op platteland nam toe
  2. mogelijkheid tot omzetting van horige arbeid en afkoop van andere horige lasten betekende in streken waar veel domeinen lagen een doorbraak in de commercialisering en monetarisering van plattelandseconomie
  3. domeinheren sneden zichzelf zwaar in de vingers: pachtbedrag werd in XIII voor eens en altijd vastgelegd, terwijl juist in die eeuw inflatie hals over kop toenam

Lees meer...

Volume en karakter van de agrarische productie

  • Verdubbeling van de voedselproductie

verdubbeling bevolking >>> verdubbeling voedselproductie >>> 2 manieren:

- door intensiever gebruik van bestaande landbouwgronden

- door uitbreiding areaal

→ eerste optie =in beperkte mate haalbaar

→ groei van de agrarische productie betekende tot lang na de Middeleeuwen voornamelijk uitbreiding van het bouwlandareaal.

  • Bodemvruchtbaarheid

groot obstakel voor vergroten bodemvruchtbaarheid = lage bemestingsgraad veroorzaakt door geringe samenwerking van akkerbouw en veeteelt.

Toch expansie

Niettemin zijn uit de expansieperiode 3 wegen tot intesiever grondgebruik bekend:

  • omzetting weidegrond in akkerland

- proces dat in het Duits met Vergetreidung (vergraning) wordt aangeduid

- uitwerpselen van dieren => vruchtbaarheid van grond stijgt (weidegrond)

- meer calorieën

- ook voedergranen voor dieren op stal

  • terugdringen van de braak, invoeren van drieslagstelsel

- 1/3 braak, 1/3 wintergraan, 1/3 zomergraan

- ó vroeger: tweedeling braak – bewerkt

- Niet overal bruikbaar: stelsel niet altijd geschikt voor gewassen waar er veel vraag naar is (cf. vlas)

  • technische vindingen

zoals risterploeg en paardentractie

Risterploeg

(zie afbeelding p. 154)

- geraffineerder dan de haakploeg

- combinatie van een verticale (kouter) en horizontale (schaar) snede => hierdoor komen de aardkluiten los => rister keert ze vervolgens om

- risterploeg met een voorstel heet gewoonlijk karploeg.

>>> De hierdoor bereikte arbeidsbesparing werd overigens meer dan gecompenseerd door het feit dat risterploegen bediening vereisten door meer dan één persoon…

  • Gebruik van paarden ipv ossen

Eveneens een grote agrarische innovatie uit de Middeleeuwen is het gebruik van paarden ipv ossen.

Voordelen paarden Voordelen ossen

- wendbaar en snel - minder kritisch met veevoer

- explosieve trekvermogen - minder veeziekten

- groter uithoudingsvermogen - meer slachtvlees

De twee belangrijkste nadelen zouden gedurende de middeleeuwse expansiefase zijn ondervangen: het voeselprobleem (uitbreiding haverteelt) en aanspanningsprobleem.

  • Innovaties

Ontwikkeling vs. verspreiding

Innovaties = product van lange, schokgewijze ontwikkelingen en aanpassingen. Ook gaat er vaak een lange periode tussen de ontwikkeling van een product en de verspreiding van de zelfde product.

2 oorzaken:

- psychologische en sociale factoren: Pre-industriële boeren vermeden vaak risico’s, dus ze vermeden nieuwe technologieën

- echnologische toepassingen komen er pas, na opgang van een andere technologie vb: ploeg à opmars paarden en ijzer

=> Ook gebeurde het dat een technologische innovatie wel ingepast was, maar toch weer teruggedrongen werd, omdat de nieuwe innovatie niet rendabel genoeg was.

Noordwest – Europa

behoefte aan risterploegen en paardentractie vanaf de tiende eeuw snel toegenomen toen in hoog tempo zware en instabiele klei- en veengronden werden ontgonnen => ontginning kwam vaak neer op een combinatie van bedijking en ontwatering.

Ontbossing

openlegging van veen- en kleigronden viel op Europese schaal in het niet bij de uitbreiding van agrarische cultuurland door ontbossing: tussen een kwart en een derde van alle grond die tussen 950 en 1250 is ontgonnen, moet uit bosland hebben bestaan.

Boerenkolonisten

- Boerenkolonisten brachten de ontbossing pas echt op gang.

- best bewaard bleven nog de bossen waar koningen of andere territoriale vorsten op hun regionale wildernisrecht stonden, hoofdzakelijk met het oog op hun favoriete bezigheid, jacht op groot wild.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen