Sociale verhoudingen
- Gepubliceerd in Geschiedenis
- Reageer als eerste!
Vroegste stadium
- inwijkelingen zijn van verschillende achtergronden; veelal het overbevolkte platteland ontvlucht
- grond- en banheren hebben nog invloed in de stad à sterke solidariteitsverplichtingen tussen de stedelingen à ceremoniële opname als ‘burger’ na één jaar en één dag: VRIJ!
- Vrijheid = ‘vrij van de verticale maatschappijstructuur van het platteland’ (afhankelijkheidsrelaties vb. heer – horige)’
- de stad is ‘horizontaal’ à iedereen gelijk = radicale vernieuwing in de toenmalige maatschappij
- invloed van christelijke religie? In alle geval zijn religieuze broederschappen uitdrukkingen van die gelijkheid.
Stad groeit
→ solidariteitsbanden worden bijgevolg kleiner
→ verschillen in economische activiteit versterken sociale ongelijkheid: ambachtslieden afhankelijk van kleine handelaars, afhankelijk van grote handelaars
Grote handelaars
- vormen nieuwe bovenlaag
- regelen import en export
- coördineren productieproces
- met het bekomen kapitaal kopen ze stukken grond en bouwen ze stenen huizen à grondprijs stijgt snel en spectaculair
- ze trachten adel na te bootsen, een stenen huis in het centrum = prestige (in Italië worden ze sneller in de adelstand opgenomen dan in het Noorden, wegens de uitstraling van de steden aldaar)
Koopliedengilden en –hanzen
- kern van de nieuwe bovenlaag
- onderlinge bijstand, bescherming op lange reizen, religieuze ceremonieën
- begin: volstrekte openheid tegenover nieuwkomers, conflicten tussen leden probeerde men te verzoenen
- 13de eeuw: van ‘verzoening’ geen sprake meer à blijkbaar zijn het al afgezonderde clubjes, ambachtslieden worden geweerd
- Waarom afsluitingsproces?: hoe groter het ledenaantal, hoe minder onderlinge solidariteit + verzadiging (eigen situatie veilig stellen – competitieve maatschappij)
- Stedelijke elite op basis van economische verschillen (vgl. feodale aristocratie)
- Stadsbestuur in handen van belangrijkste groep, hangt af van stad tot stad, vb. Brugge: Hanze van Londen, Leuven: gilde van de lakenhandelaren … dus ook politieke macht à patriciërs
2.XIII
neergaande economische conjunctuur
ð maatschappelijke groep net onder de patriciërs (meestal de ambachtslieden) komen in vele steden in opstand
ð zeer verschillende uitkomsten (soms in stadsbestuur, soms niet – hing af van getals- en machtsverhoudingen en de mogelijkheid tot coalitievorming)
