Menu

Atlantisch Complex

Reeds in de voorgaande periode was de Atlantische zone gekenmerkt door een groot netwerk. Ook heeft dit gebied een grote rijkdom aan grondstoffen, zoals koper, tin en zelfs goud.

Het Atlantisch Complex bestrijkt een enorm groot gebied, en wordt vaak opgedeeld in twee gebieden. Enerzijds zijn er de Britse Eilanden, Noord-Frankrijk en het huidige België, anderzijds is er westelijk Spanje, Portugal en Atlantisch Frankrijk. Wat opvalt bij deze indeling is dat het Kanaal geen grens vormt en dat er dus onderlinge communicatie moet zijn geweest. Dit valt af te leiden uit sporen van grondstofuitwisseling in onze streken met de Britten, maar ook met het noorden, door de aanwezigheid van amber. Daarnaast zijn ook enkele boten gevonden doorheen de Kanaalzone, zoals in Ferriby (een zeewaardige, genaaide boot van 10 à 15 meter lengte), Douvres (een boot gevormd door een uitgeholde stam) en Blight (resten van een vissersboot en netten.

Koper werd aangetroffen in o.a. Ierland, Wales en Zuid-Engeland. Tin kwam vooral veelvuldig voor op het Iberisch schiereiland, Bretagne en in Cornwall. Goud is vooral aangetroffen in Zuid-Oost Ierland (Wicklow bergen) waar een prachtige productie van gouden sieraden tot stand kwam. Gebieden die echter arm aan ertsen waren, zoals onze streken, slaagden er toch in om te participeren in deze netwerken.

Westelijk Europa biedt meer dan voldoende mogelijkheden om een stabiele landbouweconomie uit te bouwen, steunend op enerzijds landbouw (met een niet-kerende ploeg en nieuwe soorten die gedomesticeerd worden) en op veeteelt (vooral de drie traditionele soorten rund, schaap-geit en varken).

De nederzettingen zijn over het algemeen open van karakter, meestal in kleine eenheden van een paar huisjes met daarin weinig sociale differentiatie. Ook worden deze nederzettingen slechts voor een beperkte tijd bezet, zeker in de gebieden waar de gronden armer zijn voor landbouw en veeteelt als in het Hilversumcomplex. We kunnen dus spreken van een soort traag nomadisme.

De begrafenispraktijken kenmerken zich in grote mate door individuele begraving ( wat later crematie van de dode) onder ronde grafheuvels. Afhankelijk van de sociale positie zijn deze graven rijker of armer. Er is wel een duidelijke groei van sociale differentiatie merkbaar, wat af te leiden valt uit de aanwezigheid van enkele prinselijke graven tegenover een grote hoeveelheid sobere graven. Vervolgens zullen drie grote culturele tradities besproken worden, namelijk Wessex, Armorika en Hilversum. De continuïteit met de bekerculturen moet echter benadrukt worden.

Het Wessexcomplex

De Britse eilanden bevatten een enorme rijkdom aan grondstoffen. Het is dan ook niet verrassend dat in het gebied van de Wessex (bij Stonehenge), zich een nieuw machtscentrum ontplooit. Er moet echter wel opgemerkt worden dat sommige megalitische centra, zoals Stonehenge, ook gedurende deze periode blijven functioneren. Zo wordt in Stonehenge de cirkel met trilithons ( twee verticale stenen met een horizontale steen erop) opgetrokken. Stonehenge vormt een centrum van een ritueel landschap, waarin tientallen grafheuvels zijn opgetrokken.

Het Wessexcomplex omvat vele grafheuvels, vaak rond met een variërende vorm qua topjes, met grachten aan de voet als afscheiding tussen het rijk van de levenden en de dodenwereld. Naarmate de tijd vorderde evolueerde dit naar lineaire grafheuvels.

Uit dezelfde periode wanneer Stonehenge opgetrokken werd, dezelfde, worden er in dezelfde regio in Boscombe Down verschillende individuen in eenzelfde graf aangetroffen. Het gaat om drie volwassen mannen, een mannelijk adolescent en drie kinderen. Sommigen waren duidelijk met veel zorg gedeponeerd, anderen waren verstoord in het graf. Zo’n collectieve begraving is eerder typisch voor het Neolithicum, en vormt dus een uitzondering. Wat nog merkwaardiger is, is dat isotopenonderzoek van spoorelementen in het email van de tanden aantoonde, dat ze niet uit de streek kwamen. Ze kwamen uit Wales. Dit is dus weer een voorbeeld van de grote mobiliteit in de bronstijd.

Een voorbeeld is het bijzonder rijke inhumatiegraf van Bush Barrow. Onder de gevonden voorwerpen bevonden zich een bronzen bijl, lanspunten en dolken. Daarnaast was er ook een scepter aanwezig, die bezet was met ivoor en amber, iets wat wijst op de rijke handel. Tot slot vond men ook gouden sieraden, zoals een borstplaat en klinknageltjes op de greep van enkele van de wapens. Dit getuigt dus duidelijk van de groeiende sociale differentiatie in de loop van de bronstijd.

Op vindplaatsen van het Wessexcomplex zijn talrijke rillatonbekers gevonden. Deze gouden bekers met een geribbelde structuur vertonen grote gelijkenissen met Centraal-Europese vondsten.

Andere voorname sites zijn deze van Hove, met zijn amber bekertje, en Pitkennedy, waar een gitsieraden tumula (dit is een maanvormig borstsieraad) werd gevonden. Het principe van de tumula is wijdverspreid, en in verschillende materialen ontdekt. Dit vormt opnieuw een teken van de economische activiteit.

Op het gebied van de nederzettingen is er voor de eerste maal sprake van ronde huizen. Deze zijn gegroepeerd in enkele kleine gehuchten of dorpjes. Men ziet reeds een akkerlandschap ontstaan door menselijke ontbossing, iets wat leidt tot heideopeningen in het platteland.

Het Armoricacomplex

Het volgende complex is bijzonder gelijklopend met dat van Wessex. Het betreft de Armorikaanse cultuur uit Bretagne, een streek met een grote rijkdom aan tin. Ook hier is sprake van grafheuvels, die zich aanvankelijk concentreerden aan de kust van Bretagne (vb. St-Just, St-Fiacre), maar met verloop van tijd ook meer voorkomen in het binnenland. Zo zijn er langs de kust soms hele reeksen grafheuvels aan het licht gekomen, zoals in de Monts d’Arrée.

Het betreft hier vrij grote heuvels, waarbij de constructie een stenen afdekking kent, die voorbehouden waren voor de rijkere klasse. De dode werd begraven in een stenen grafkamer met vele grafgiften zoals bronzen scepters en wapens met gouden klinknageltjes, amber polsbeschermers en vele halssieraden. Ook waren er soms stenen pijlpuntjes aanwezig, die aantonen dat silextechnologie niet verdwijnt, maar hoogstaander wordt.

Een van de meest typische voorbeelden van een dergelijke grafheuvel is die van Kernonen en Plouvorn, een grafheuvel van 50m in doorsnede en 6m hoog. In een stenen grafkamer van 4.7m bij 1.3m werd een graf aangetroffen met rijke grafgiften. Er werden een drietal bronzen bijlen gevonden, een drietal bronzen dolken met gouden klingnageltjes op de greep, bronzen spelden, een polsbeschermer in amber en tenslotte een 40-tal mooi afgewerkte vuurstenen pijlpunten. Het gaat hier dus duidelijk om een elitegraf.

Een iets soberder graf is die van Saint-Just. Ook hier betreft het een elitegraf, met enkele rijke grafgiften zoals afgewerkte vuurstenen pijlpunten en een stenen scepter met gouden klinkgnageltjes.

Het Hilversumcomplex

Het derde en laatste complex kent zijn centrum in Zuid-Nederland en Vlaanderen. Daarnaast is er ook een duidelijke band met het Britse Kent, wat de intensiteit van het contact over het Kanaal bewijst. In onze streken waren er echter geen natuurlijke ertsen aanwezig, in tegenstelling tot de koper- en tinmijnen bij de vorige twee complexen. Dit leidde tot stevige import, zoals te zien is op de site van Exloermond. Hier vond men een kraalketting waarvan de technologie onder Egyptische invloed lijkt te staan en die het grote belang van amber en tin, en dus relaties, toont.

Funerair maakten de bewoners van deze streken gebruik van een oppervlakkig graf waar dan een heuvel bovenop kwam. Hierbij is er ook sprake van hergebruik, dat wil zeggen dat er meermaals secundaire begravingen voorkwamen in dezelfde heuvel, mogelijks een soort familiegraf. Rond 1850 v.C. is de overgang van inhumatie- naar crematiegraven voltooid.

Veel van deze heuvels zijn echter opgegeven voor Romeinse aedificieën, maar toch kan men uit de resterende sporen een grote typologie qua peristaltische structuren (zoals palen, wallen, grachten, …) onderscheiden. Ook luchtfotografie heeft er de laatste jaren toe bijgedragen dat vele nieuwe graven die zich onder de ploeglaag bevonden aan het licht kwamen. Deze luchtfoto’s toonden grote donkere cirkels in de bodem, waarna men deze ging onderzoeken en stootte op grafheuvels uit de bronstijd. Dergelijke ontdekkingen deden zich vooral voor in de provincies Oost- en West-Vlaanderen.

Deze graven, zoals dat in het Nederlandse Elk, zijn echter voorbestemd voor de elite. Wat er gebeurde met de andere negentig procent graven is onduidelijk. Onderzoekers houden rekening met zowel crematies als vlakgraven. De grafvelden waren meestal relatief klein (enkele eenheden, tot maximaal 10 of 20-tal graven), die veelal gedurende een korte periode in gebruik waren. Men schat de ‘levensduur’ van een dergelijk grafveld op één generatie, iets wat in verband gebracht kan worden met de nederzettingspatronen ( semi-nomadisch).

Een uitzonderlijke vondst is het graf van Wassenaar, waar men een massagraf (12 personen: twee kinderen, twee adolescenten en acht volwassenen) vond zonder grafgiften. Minstens één van de overledenen is in een gewapend conflict gestorven, gezien hij een silexpijlpunt tussen zijn ribben had. Of de anderen ook vermoord zijn, kan niet met zekerheid gezegd worden, al wordt het vermoed. Radio- koolstofdateringen plaatsen het graf rond 1700 v. C.

De nederzettingen in onze gewesten zijn goed gekend. Het zijn ook hier open nederzettingen (zonder versterkingen dus), waar één tot vier huizen samen voorkomen. Ook worden er enkele bijgebouwtjes aangetroffen, zoals vierpalige piekertjes of graanschuurtjes. De plattegrond van een woning bij de Hilversumcultuur is erg typerend: de woningen zijn langwerpig (ca. 25 m lang) met meestal korte afgeronde zijden. Ook is het huis drieschepig en toont verschillende onderdelen, waarbij elk deel een bepaalde functie heeft ( schuur, stal en woongedeelte). Men noemt deze typische woningen dan ook ‘woonstalhuizen’.

Transport over de Noordzee

De Noordzee fungeert, zoals eerder gezegd, helemaal niet als grens, maar eerder als verbindingselement tussen de bovengenoemde complexen. We treffen dan ook duidelijke aanwijzingen aan van maritiem transport. Zo zijn er een hele reeks boten gevonden in Engeland, zoals de Ferriby boten of de boot van Dover. Tevens zijn in de Noordzee restanten van wrakken gevonden, zoals langs de kusten van Dover

In Dover is een 11 meter lange boot teruggevonden die uit aan elkaar genaaide planken bestond. Bijenwas zorgde dat de boot zeebestendig was.

In Ferriby zijn verschillende boten teruggevonden, die eveneens sporen vertoonden van een verfijnde bouwtechniek. De best bewaarde boot was 13 m lang en bestond ook uit aan elkaar genaaide planken. Vermoedelijk werden deze boten met peddels gemanoeuvreerd.

Lees meer...

El Argar complex

Het westelijke gedeelte van de Middellandse Zee ontwikkelde zich grotendeels los van de ontwikkelingen in het oosten. Slechts enkele zeldzame Mykeense scherven werden gevonden op Sardinië, en twee scherven werden gevonden in de regio van de monding van de Guadalquivir (zuiden van Spanje).

De rijke aanwezigheid van ertsen in Spanje, koper en tin in het noordoosten en koper in het zuiden, zorgde ervoor dat in de buurt van Almeria een cultuur tot bloei kwam. Deze werd ontdekt door de gebroeders Siret, Belgische mijningenieurs, die in 1880 tijdens hun mijnwerkzaamheden in de regio opgravingen hebben verricht en zo deze cultuur aan het licht brachten. Het bergachtige gebied in de streek van Almeria biedt mogelijkheden tot landbouwgronden in de rivierdalen en graslanden voor het vee. Ook hier zien we het opkomen van elites, die hun positie in hun graven weten te tonen. De nederzettingen bevinden zich op strategisch gelegen hoogtes, zogenoemde acropolen. De versterkte dorpen bestaan uit een reeks smalle straten met kleine huisjes.

Een belangrijke vindplaats is die van El Oficio, een acropool die zich bevond op een natuurlijk beschermd plateau. Het versterkte dorpje, met een reeks kleine huisjes langs smalle straten, beschikte over waterreservoirs en had ook graven binnen de nederzetting (onder de huizen en straten).

De grafvelden, zoals die in El Argar, waarnaar de cultuur is vernoemd, zijn vrij groot, tot duizend graven. Hierbij gaat het zowel om inhumaties als crematies, hoewel dat laatste slechts later opduikt. Vaak gebeuren deze in cisten, dat zijn stenen grafkamers, of pithoi, grote aardewerken potten. Bij het lichaam bevonden zich vaak rijke grafgiften, afhankelijk van het geslacht: sierraden in allerlei materialen, zoals diademen voor de vrouwen tegenover wapens (waaronder ook een hellebaard) voor de mannen. Daarnaast is ook voor beide geslachten aardewerk gevonden, dat opvalt door zijn schoonheid, fijne bewerking en puntbodems.

Opvallend is het veelvuldig aantreffen van amber. Dit zou erop wijzen dat deze cultuur deel uitmaakt van de vroege handelsnetwerken.

Lees meer...

De Minoïsche en Mykeense wereld

Terwijl in het late 3e millennium het Oude Rijk in Egypte plaats maakt voor het Nieuwe rijk ( 1975 v C.), terwijl in Mesopotamië het Akkadische rijk rond 2200 verdwijnt en het Babylonische en later Assyrische rijk opkomen, ontwikkelt er zich in het Oosten van de Middellandse Zee een heel ‘commercieel’ handelsnetwerk in allerhande producten.

Langs de kusten ontwikkelen zich (versterkte) nederzettingen, eventueel met een citadel, die deze handelsnetwerken controleren. Voorbeelden hiervan zijn Troje in de Dandarellen, of Lerna in de Argolide. Kenmerkend voor deze nederzettingen is dat centraal zich een ‘megaron’ huis bevindt. Dit is een lang rechthoekig elitehuis met verschillende kamers in het verlengde van elkaar. De nederzettingen kenmerken zich door grote rijkdom aan vondsten, waaronder goudschatten. Dit bewijst dus dat het elites waren die deze nederzettingen bewoonden, en dus de handelsroutes controleerden. Het meest cruciale punt van deze handelsroutes in de Egeïsche zee is Kreta.

De Minoïsche wereld

Kreta kon door haar gunstige geografische ligging, namelijk op de kruising van de Egeïsche en Egyptische handelsnetwerken, al snel grote rijkdom uitbouwen en haar eigen netwerk uitbouwen. Zo werpt Kreta zich op tot het centrum van de handelsroutes tegen het einde van het derde millennium. Belangrijke producten waren koper en obsidiaan uit de Cycladen en ivoor, goud en andere luxueuze producten uit het zuiden. Op Kreta duiken op die manier paleizen op, die al regionale centra fungeren. Deze paleizen kenmerken zich door een open centraal plein, omringd door een veelheid van kamers ( opslagplaatsen, publieke ruimtes).

Het zijn duidelijk centrale plaatsen, waar allerhande producten werden opgeslagen (gezien de vele enorme dolia), waar administratieve ( in Lineair A) en rituele activiteiten plaatsvonden. Belangrijke importproducten voor Kreta waren ossehuiden koperstaven, tin en ivoor. De exportproducten waren vermoedelijk vooral wol, wijn en olijfolie.

Opvallend is dat deze paleizen helemaal niet versterkt zijn door omwallingen of een andere vorm van verdediging. Volgens sommigen wijst dit erop dat de Minoïsche beschaving een vreedzame samenleving was. Anderen menen echter dat men omliggende zeeën in die mate beheerste en controleerde, dat men geen vrees had voor een aanval van buitenaf. De bekendste van deze paleizen zijn Knossos en Mallia, in het noorden van Kreta, en Phaestos in het zuiden. De Minoïsche beschaving is opgesplitst in drie fases: het vroeg-palatiaal ( 1950-1700 v.C.), het laat-palatiaal (1700-1450 v.C.) en het post-palatiaal ( 1450-1050 v.C.).

Het staat vast dat de maritieme routes, en dus maritieme handel en transport belangrijk waren voor Kreta. Afbeeldingen van boten met roeiers of zeilen worden dan ook regelmatig teruggevonden. Er moet dus ongetwijfeld een zeevarende bevolkingsgroep bestaan hebben op Kreta, gecontroleerd door de paleisbewoners.

De Mykeense wereld

Al in de 17e eeuw v. C. begint het Griekse vasteland een belangrijke rol op te eisen in de netwerken en handelsroutes van de Egeïsche wereld. Rond 1400 v. C. nemen de Mykeense paleizen dan ook de rol van de Minoïsche over. Op het Griekse vasteland ontwikkelen zich verschillende machtscentra, ook weer in de vorm van paleizen, waarvan Mykene zelf de meest centrale en bekendste is. . Deze paleizen fungeren eveneens als centrale plaats voor opslag, administratie ( Lineair B, Grieks) en rituele handelingen. Het verschil met de Minoïsche nederzettingen, is dat de Mykeense paleizen wel degelijk versterkt zijn met enorme muren. Ook heerst er in de Mykeense beschaving een ander sociaal beeld, namelijk dat van het ideaal van de krijger. Een voorbeeld van dit ideaal is de vondst van ‘het harnas van Dendra’ in een grafcontext. Hun rijkdom hebben de verschillende Mykeense nederzetten enerzijds te danken aan hun positie binnen de handelsroutes, en anderzijds door het feit dat ze zich bevinden in rijke landbouwgebieden.

Ulu Burun en Kaap Gelidonya

In 1982 werd enkele kilometers ten zuiden van de Turkse kust een wrak gevonden dat een illustratief beeld geeft van de handelsnetwerken in de bronstijd.

Het wrak bleek een gezonken koopvaardijschip te zijn uit de 14e eeuw v. C. Het schip bevatte toen ca. 10 ton koper (in de vorm van 354 ossehuiden staven), 1 ton tin, goud, zilver, ivoor, struisvogelschelpen, amforen met terpentijn, gekleurd glas, ebenehout, en nog een pak ander materiaal uit Egypte, de Levant, Cyprus en Kreta.

Een andere vondst was het gezonken schip van Kaap Gelidonya ( late 13e eeuw v. C.). Deze bevatte eveneens koper (uit Cyprus), tin, en Mykeense ceramiek. Het schip was wat minder rijk dan die van Ulu Burun, dus zouden we volgens sommige onderzoekers eerder te maken hebben met de vracht van een bronssmid.

Lees meer...

VROEGE EN MIDDEN BRONSTIJD Culturele Geografie

De oudste bekende metallurgische sporen stammen uit 6500 v.C. en bevinden zich in Koerdisch Anatolië. Reeds in het vijfde millennium heeft de verspreiding zich op de Balkan voorgedaan

De aanwezigheid van ertsen speelt een bepalende rol in de ontwikkeling van de verschillende cultuur- of technocomplexen. Koper en tin zijn niet alomtegenwoordig in Europa. Centraal- en Oost-Europa zijn relatief goed voorzien van zowel koper als tin, terwijl West-Europa een groot tekort heeft aan deze ertsen. Koper komt in Duitsland (Thuringen), het noorden van de Alpen, maar vooral op de Britse eilanden voor. Tin in nog zeldzamer, maar komt vooral in Thuringen, Centraal-Frankrijk (Berry), en de beide kanten van het Kanaal (Cornwall en Armorica) voor.

Het is dan ook niet toevallig dat deze gebieden rijke culturen voortbrengen. Reeds in de vroege bronstijd zien we in heel Europa verschillende grote cultuurcomplexen ontstaan. Dit waren groepen culturen die preferentieel met elkaar uitwisselen (handelen, sociale contacten, informatie, technologie), en bijgevolg gelijklopende kenmerken vertonen.

Het Middellandse Zeecomplex strekt zich uit over Italië, ex-Joegoslavië en Oost-Iberië, het zogenaamde El Argar-complex. Daarnaast was er in het oosten van de Middellandse zee de Minoïsche beschaving, op haar beurt afgelost door de Mykeense beschaving.

Het Oost-Europees complex met de gebieden langs de Zwarte Zee, steunde op de ertsen in Transsylvanië. Hierdoor ontstonden grote innoverende culturen gebaseerd op metaal, waar de Bulgaarse site van Varna een mooi voorbeeld van is.

In Centraal-Europa, met metaalrijke gebieden zoals Bohemen en de Noordelijke Alpen, treffen we onder andere de Unetice-cultuur aan, op haar beurt opgevolgd door de Hugelgräber-cultuur (grafheuvelcultuur). Ook hier zien we dat de opkomst van metaal, in dit geval brons, sociale gevolgen heeft.

In West-Europa (van het Iberisch schiereiland tot in Nederland, over groot Brittannië en Ierland) zijn eveneens ertsen gekend. Interessante innoverende culturen zijn onder andere de Armorikaanse cultuur in Bretagne en de Wessex-cultuur in Zuid-Engeland. In minder ertsrijke gebieden zoals Noord-Frankrijk , België en Nederland zien we eveneens dat er culturen bloeien, met als koploper de Hilversum-cultuur.

Het Scandinavisch complex tenslotte, is merkwaardig. Ondanks de afwezigheid van ertsen blijkt toch ook hier een bloeiende cultuur tot stand te komen, namelijk de Scandinavische bronstijd.

Deze cultuurcomplexen leiden in een zeker opzicht een eigen leven, en zullen in bepaalde periodes meer of minder succesvol zijn. Zo zal het Centraal-Europese complex in de late bronstijd een grote expansie naar het westen kennen, om zo gebieden te beïnvloeden die vroeger eerder naar het Atlantisch complex neigen

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen