Menu

Familie, gender en vruchtbaarheid

Families en huishoudens:

Universeel: centrale organisatievorm in de menselijke samenlevingen

Zeer divers in vorm en inhoud

Verhouding man – vrouw

Verhouding gezin – familie

Verhouding familie – omgeving

Jager-verzamelaars.

Uitgebreide familieverwantschappen

Leven in kleine groepen

Lage vrouwelijke vruchtbaarheid

Door het lange zogen van de kinderen in de vrouw lange tijd onvruchtbaar

Flexibele arbeidsverdeling met grote gelijkheid tussen man en vrouw

Een ‘affluent society’ ? (welvaartssamenleving)

Landbouwsamenlevingen.

Nieuwe vormen van onzekerheid

Mensen wonen in grote groepen samen, eenzijdige voeding, grote vatbaarheid voor ziektes

Een hogere vrouwelijke vruchtbaarheid

Door inperken borstvoeding en gebruik van vervangingsmelk

Veranderende gender-verhoudingen met komst van veeteelt en ploeglandbouw

Vrouw minder belangrijk als een man

Man beheerst publieke sfeer, vrouw teruggedrongen tot huishoudelijke sfeer

Echter in Europa is de huwelijksleeftijd heel hoog. Dit komt doordat men pas ging trouwen wanneer men zeker wist dat men een gezin kon onderhouden.

Neolokaliteit kwam vaak voor

1/5 van de mannen bleef zelfs ongehuwd

West-Europa na 1500

Kerngezin wordt de norm

Seksualiteit buiten het huwelijk wordt meer veroordeeld

Vruchtbaarheid wordt aan banden gelegd

Komt ook ten gevolge van de landschaarste

Vrouw wordt ondergeschikt

Verliest haar persoonlijke eigendomsrechten

Wordt handelsonbekwaam verklaard

Worden buiten de officiële arbeidscircuits gehouden

China: uitgebreide familie, belang van collectiviteit

Afrika en Amerika: arbeid (en niet land) is schaars: andere strategieën

Afrika

19de eeuw: Leverancier van (onvrije) arbeid

Veelwijverij door onevenwicht tussen man en vrouw

Veel van de weggevoerde slaven zijn mannen

Amerika

Groot verschil tussen rijk en arm

Europees gezinsideaal wordt overgenomen, maar in een soepelere vorm

Arbeid is schaars  er wordt jonger en meer getrouwd

De industriële wereld (voornamelijk Europa en Noord-Amerika).

Begin 20ste eeuw

Retoriek en ideaal van kostwinners/huisvrouw-model

Kinderen worden minder een inkomstenbron (werkkracht) maar eerder een investering (scholing)

Daling kindersterfte en huwelijksleeftijd en stijging levensverwachting

Overheid zorgt voor sociale bescherming

Tweede helft 20ste eeuw

Tweeverdienergezinnen dominant

Afbouwen ongelijkheid man/vrouw

Er blijft een ongelijkheid met betrekking op loopbaanopbouw, verloning en inzet in de huishoudelijke arbeid

Gezinnen worden kleiner

De niet-westerse wereld.

Impact koloniale regimes en economische afhankelijkheid zeer ingrijpend

Verdwijnen kleine boerenlandbouw, opkomst van industriële arbeid

De vrouw: centrale economische rol, formele ongelijkheid

Lees meer...

Bevolkingsgroei als motor.

Toename bevolking zorgt voor grotere vraag naar voedsel. Dit is een stimulans voor de landbouwsector. Deze gaan investeren in nieuwe technieken. Er komt een grotere vraag naar arbeidskrachten en er ontstaat een arbeidsdeling.

Malthus wordt weerlegd.

1) Stabiele bevolkingsgroei is de norm: homeostatische controlemechanismen

Beperken van geboorten, uitsluiten van migranten

2) 19de eeuw: groei productie en productiviteit door wereldeconomie

Zorgt voor een gunstig klimaat om kindjes te kopen

3) 21ste eeuw: controle bevolkingsgroei

D.m.v. morele religieuze of wettelijke regelingen

Lees meer...

Bevolkingsgroei als rem.

De relatie tussen bevolkingsgroei, economische ontwikkeling, welzijn is nog altijd een open vraag. Er doen zich verschillende theorieën voor over dit onderwerp.

1) Malthusiaans model

Er is een niet evenredige groei van de bevolking en het voedsel. het voedsel zal niet meer in staat zijn de gehele bevolking te kunnen voeden.

Preventive checks: Zelf heft in eigen handen nemen.

Minder kindjes maken, celibaat

Positive checks: De natuur ‘helpt’ een handje

Hongersnood, epidemieën, oorlog

Lees meer...

Demografische transities.

Fundamentele wijziging van het demografisch gedrag (fertiliteit) door externe beperkingen en interne keuzes.

Externe beperkingen

Klimaat, aanbod van land, energie en voedsel

Deze factoren zijn structureel en veranderen langzaam

Interne keuzes

Gezinsvorming, geboortes, migraties

De keuzes stemmen het eigen reproductieve gedrag af op de externe beperkingen

Indien de verhouding tussen de interne keuzes en externe beperkingen verandert spreken we van een demografische transitie.

De belangrijkste transities zijn de neolithische en de hedendaagse.

Neolithische demografische transitie.

Bevolkingsdruk zorgt voor uitputting van natuurlijke hulpbronnen. De mens gaat gaan domesticeren om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

Er komt een bevolkingsgroei

1) Er zijn meer middelen om mensen op een klein opp. te kunnen onderhouden

2) Er is meer onzekerheid

Afhankelijkheid van voedsel, grotere kans op ziektes, meer interactie tussen mens en dier

Mortaliteitsgraad neemt, ook bij kinderen, voornamelijk toe, maar wordt gecompenseerd door de vele geboortes.

Er wordt niet goed naar de opvoeding van het kind gekeken, en dit wordt ook al snel ingezet in de economische activiteiten.

Hedendaagse demografische transitie.

Er is zowel een daling van de mortaliteit als van de fertiliteit. De demografische transitie evolueert van een hoog niveau naar een laag niveau. Geleidelijker in het Westen als in het niet-Westen. Men gaat het kind met zorg opvoeden. (economisch nut valt weg). Er komt een daling van de kindersterfte.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen