Menu

Oefenopgave 1

Geef in de volgende gevallen aan of de genoemde stoffen bij de gegeven temperatuur wel of niet vast zijn. Raadpleeg hierbij een tabellenboek.

a. Stikstof van -200 oC Niet vast

b. Kwik van 50 K Vast

c. Lood van 550 K Vast

d. Ammoniak van -80 oC Vast

e. Zuurstof van -80 oC Niet vast

f. Zuurstof van 53 K Vast

Van sommige stoffen kan het smeltpunt niet precies worden aangegeven, omdat deze eerst zacht worden voor ze gaan smelten. Voorbeelden hiervan zijn glas en boter.

Lees meer...

Parate-kennisvragen 1 t/m 7

1. Wanneer spreekt men van smelten en wanneer van stollen? Een stof smelt bij de overgang van vast naar vloeibaar. Een stof stolt bij de overgang van vloeibaar naar vast.

2. Geef een verklaring van het smeltingsproces met behulp van de moleculair-theorie. Door verhitting gaan de moleculen van de stof steeds sneller bewegen, waardoor ze los van elkaar gaan bewegen. Hierdoor worden de aantrekkingskrachten van de moleculen kleiner, waardoor de stof gaat smelten.

3. Wat gebeurt er met de temperatuur tijdens het smelten? Deze blijft constant.

4. Wat versta je onder het smeltpunt van een stof? De temperatuur waarbij de vaste stof in een vloeibare stof overgaat.

5. Wat weet je van de massa van een stof vóór en na het smelten? Deze blijft onveranderd.

6. Wat is het stolpunt van een stof? De temperatuur waarbij de vloeibare stof overgaat in een vaste stof.

7. Ligt het stolpunt hoger dan, even hoog als of lager dan het smeltpunt? Het stolpunt is gelijk aan het smeltpunt.

Lees meer...

Smelten en stollen

Een stof smelt als het van de vaste naar de vloeibare toestand overgaat. Een stof stolt als het van de vloeibare naar vaste toestand overgaat. Tijdens deze overgangsfase, blijft de temperatuur van de stof een tijd rond één punt hangen, totdat alles is gesmolten of gestold.

Door toevoer van warmte, gaan de moleculen van een vaste stof sneller bewegen.

Door botsingen, wordt de afstand tussen de moleculen groter, waardoor de onderlinge aantrekkingskrachten kleiner worden. De moleculen gaan vrij door elkaar bewegen, waarna de vaste stof een vloeistof is geworden.

Dit gaat samen met een toename in volume. De temperatuur tijdens het smelten stijgt niet, omdat de toegevoerde warmte nodig is om de moleculen de nodige bewegingsruimte te geven. De definitie van een smeltpunt is de temperatuur waarbij een vaste stof in vloeibare stof overgaat.

De massa van een stof blijft tijdens het smelten gelijk.

Tijdens het stollen komen de moleculen weer dicht bij elkaar en worden de aantrekkingskrachten sterker. De energie die nodig was om de aantrekkingskrachten te overwinnen, komt nu in de vorm van warmte weer vrij.

Het stolpunt van een stof is de temperatuur waarbij de vloeibare stof overgaat in een vaste stof. Het smeltpunt en het stolpunt zijn gelijke temperaturen.

Lees meer...

Parate-kennisvragen 12 t/m 15

12. Geef een definitie van condenseren. De overgang van de gasvormige naar de vloeibare fase.

13. Welk effect bemerkt men bij condensatie wat betreft warmteopname of –afgifte?

Bij condensatie komt warmte vrij.

14. Wat versta je onder sublimeren (vervluchtigen)? De overgang van vaste stof naar de gasvormige fase.

15. Geef enige voorbeelden van stoffen die sublimeren. Mottenballen, joodkristallen en sneeuw die weg vriest.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen