Menu

Context en spraak hersenactiviteit

Het phonemic-restoration effect betekent dat in een zin waar een phoneme wordt vervangen door een PIEP, men onbewust de juiste letter hiervoor invult: Bijna niemand hoort dat er in “Ik denk niet dat *PIEP*ullie nu een piep horen” een letter werd vervangen door een andere toon. Slechts 1 op de 20 mensen zegt een toon te hebben gehoord,

maar kunnen niet aanwijzen waar precies. Je vervangt piepjes e.d. ook automatisch als het begrip van het woord pas uit de volgende woorden blijkt:

It was found that the *P*eel was on the shoe

It was found that the *P*eel was on the orange

It was found that the *P*eel was on the axle

Bijna iedereen hoort respectievelijk ‘heel’, ‘peel’ en ‘wheel’, hoewel de zinnen identiek waren bij het desbetreffende woord (de drie zinnen zijn niet driemaal ingesproken, het is steeds dezelfde intonatie etc etc, behalve het allerlaatste woord, wat er daarna aanvastgeplakt is – niet hoorbaar).

Identificatie van woorden is dus niet metéen maar kan afhangen van de perceptie van volgende woorden.

Context and the Recognition of Faces and Scenes

Bij stimuli die er helemaal ‘ingebakken’ zijn, is het heel moeilijk om deze te herkennen zonder de context. Op blz.65 staat een plaatje van een gezicht, met een aantal onderdelen: neus, oor, mond. Wanneer slechts contouren worden gegeven, herkennen wij het slecht. Pas als het in context wordt gegeven (of de onderdelen gedetailleerd worden getekend), zien we wat het voorstelt.

Ook bij complexe visuele scenes speelt context een rol: proefpersonen kregen kort een normaal plaatje te zien, of hetzelfde in stukken geknipte (en door elkaar gehusselde) plaatje.

Wanneer daarna werd gevraag aan te geven wat zich op een bepaalde plaats bevond, waren de personen die het normale (coherente) plaatje hadden gezien veel beter dan de anderen.

Context wordt dus, zoals bij tekst- en spraakherkenning, blijkbaar meegenomen om dingen te identificeren.

Lees meer...

Contecxt en patroonherkenning hersenen

Patroonherkenning kan zowel gebeuren door de informatie die in de fysieke stimulus zit, als door de context waarin de stimulus wordt gegeven. Zie ‘THE CAT’ op blz. 63.

Wanneer context of algemene kennis van de wereld onze preceptie sturen, noemen we dit topdown processing. Een hoger-level kennis helpt mee bij het interpreteren van lagere (simpele perceptie).

Wanneer de fysieke kenmerken van de stimulus zélf onze perceptie sturen, noemen we dit bottom-up processing. Je gaat van de simpelste features van een stimulus steeds hoger totdat je het begrijpt of herkent (het hoogste level).

Een experiment van Reicher & Wheeler liet zien hoe top-down effecten werken. Dit gebeurde in 2 groepen:

1. Men zag heel kort een ‘D’ of een ‘K’. Daarna werd gevraagd welke letter ze hadden gezien.

2. Men zag heel kort ‘WORK’ of ‘WORD’. Daarna werd gevraagd welk woord ze hadden gezien.

Hoewel het in beide gevallen slechts verschilt in 1 letter, was groep 2 10% accurater in het kiezen van het juiste woord. Eigenlijk vreemd, aangezien ze in theorie wel 4 keer zoveel stimuli (letters) te verwerken hadden. Context geeft dus de doorslag. Dit wordt het word-superiority effectgenoemd. Dat een woord beter wordt herkend heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat als we ‘WOR’ en een beetje van de laatste letter herkennen, wij infereren dat het dan wel WORD had moeten zijn. We vullen dus de blanks in op basis van context (net zoals je bij een engelse tekst een onbekend woord niet hoeft op te zoeken, maar er gewoon overheen leest aangezien de betekenis uit de zin is te halen). Ik xan xijxooxbexld xlkx dexde xetxer xit xen xin xerxanxen xoox eex x, en xe zxl hxt nxg sxeexs bxgrxjpxn.

Lees meer...

Categorische perceptie hersenen

Categorische perceptie verwijst naar:

- de perceptie van stimuli alsof ze behoren tot strikt gescheiden (dinstincte) categorieën,

- het falen om binnen een categorie gradaties in de stimuli waar te nemen.

Dit beteken dus dat wij iets horen en dat meteen indexeren in of deze of die categorie, en dat wij niet het onderscheid horen tussen klanken binnen een categorie (hoewel deze klanken dus wel (minieme) verschillen kunnen hebben).

Bij het uitspreken van phonemes zijn er twee mogelijkheden:

1. de gesloten lippen gaan open en lucht wordt vrijgelaten

2. de stembanden gaan trillen (voicing)

Wij delen een ‘p’ in een categorie en een ‘b’ in een andere categorie, aangezien er dus iets met bovenstaande mogelijkheden verschilt. Wat blijkt: bij een ‘b’ gebeuren [1] en [2] simultaan, terwijl bij een ‘p’ [2] pas 60 ms (milliseconden) volgt ná [1] (het tijdsverschil tussen stap [1] en [2] wordt onset-time genoemd.

Experimenten hebben uitgewezen dat men voor ca. 30ms een klank categoriseerd als een ‘b’ en na 30 ms dezelfde klank als een ‘p’.

Door deze scherpe overgang tussen unvoiced en voiced phonemes, wordt de perceptie van deze feature categorical perception genoemd.

Twee studies:

1. Studdert-Kennedy: men vindt het heel moeilijk om verschillen te horen tussen b’s en p’s die een verschillende onset-time hebben (p’s kunnen dan worden geïdentificeerd als b’s en andersom). Men kan echter wél goed onderscheid maken als de onset-time constant is (dus als de b altijd 10ms en de p altijd 40ms is).

2. Eimas & Corbit: mensen krijgen heel vaak ‘da’ te horen. Dit is dus een steeds herhalende ‘voiced’ medeklinker. Daarna krijgt men ‘ba’ en ‘pa’ te horen. Het enige verschil tussen deze twee klanken is 1 feature, namelijk voicing. Wat blijkt: door reperterende ‘da’ (een voiced klank) zijn de receptoren voor voiced klanken afgestompt, zodat men veel vaker zei ‘pa’ (unvoiced) te horen, terwijl dat eigenlijk een ‘ba’-klank (voiced) was.

Lees meer...

Feature Analysis of Speech

Phonemes bestaan uit drie (en misschien meer) features:

Consonantal feature: the quality in the phoneme of having a consonantlike property (in contrast to vowels). Consonant betekent “spraak geproduceerd door een stop of tijdelijke stop van de adem” of “medeklinker” of “harmonieus. Het boek gaat hier verder niet op in, en het is dus een zeer vaag begrip.

Voicing: het gebruik maken van de stembanden bij het produceren van een klank. De letter ‘s’ in ‘sip’ is voiceless (geen gebruik van …), de letter ‘z’ in ‘zip’ is voiced.

Place of articulation: de plaats waar de klank geproduceerd woord door dit af te sluiten of af te schermen (met de tong).

Bilabial: lippen gesloten (bijv. letter ‘p’)

Labiodental: onderste lip tegen de ondertanden (‘f’)

Dental: tong drukt tegen de tanden (‘th’)

Alveolar: tong druk tegen de ‘alveolar’ richel net achter je boven-voortanden (‘t’)

Palatal: tong zit tegen gehemelte aan, net achter bovengenoemde richel (‘j’)

Velar: tong zit tegen achterste deel van gehemelte (velum) aan (‘k’)

Door ‘voicing’ en ‘place of articulation’ in een tabel te zetten, kan je phonemes classificeren.

Zie tabel 2.1 op blz.59 van het boek (niet echt nodig…)

Er zijn experimenten geweest naar het herkennen van features in spraak (Miller & Nicely). Ze lieten een aantal medeklinkers horen, inclusief lawaai/storing. De proefpersonen zeiden bij een ‘p’ veel vaker dat ze een ‘t’ hadden gehoord in plaats van een ‘d’. Dit komt volgens hen omdat ‘p’ en ‘t’ maar op 1 feature verschillen (place of art.), terwijl ‘p’ en ‘d’ op 2 features verschillen: place of art en voicing.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen