Menu

Hoofdstuk 11: Interpretatie en beoordeling van financiële ratio’s (p281)

Goed/slecht-classificatie

Goede elementen: activa, eigen vermogen, opbrengsten

Slechte elementen: schulden, kosten

  • eenzijdige benadering omdat goede elementen en ratio’s niet maximaal en slechte elementen en ratio’s niet minimaal doch optimaal moeten zijn.
  • kan niet worden toegepast op ratio’s die goede elementen omvatten in teller én noemer.

Absolute maatstaven

Minimum- of maximumwaarden voor sommige ratio’s vooropstellen (bvb verhouding vreemd tot eigen vermogen max. 1 en current ratio max. 2)

  • geen theoretische verklaring of empirisch bewijs om het gebruik van dergelijke absolute maatstaven te rechtvaardigen.
  • Belgische ondernemingen houden zich niet aan bovenstaande ‘normen’.

Vergelijking in de tijd

Analyse van de tijdreeks van een ratio heeft tot doel de evolutie van deze ratio in het verleden vast te stellen en eventueel op basis van de historisch evolutie voorspellingen te maken voor de toekomst.

Descriptieve vergelijking: nagaan in welke richting de ratio evolueert

aa

Vergelijking tussen ondernemingen

De waarde voor een bepaalde ratio van een onderneming kan worden vergeleken met een gemiddelde waarde van een groep van vergelijkbare ondernemingen.

Criteria voor vergelijkbaarheid: grootte, geografisch gebied en sector.

  • deze criteria slechts beperkte invloed op financiële kengetallen.

Lees meer...

Hoofdstuk 9: Toegevoegde waarderatio’s (p249)

Oorsprong van de toegevoegde waarde

Toegevoegde waarde = waarde van de productie – intermediair verbruik

Waarde van de productie = verkochte productie + <productie in voorraad>

+ geproduceerde vaste activa

Intermediair verbruik:

- de kosten van handelsgoederen en van de verbruikte grond- en hulpstoffen

- de kosten van de diensten en diverse goederen

Bruto toegevoegde waarde: niet-kaskosten worden niet opgenomen onder het intermediair verbruik, en makan dus deel uit van de toegevoegde waarde

|70/74|-|740|-|60|-|61|

Netto toegevoegde waarde: niet-kaskosten worden beschouwd als intermediair verbruik, en worden dus op de toegevoegde waarde in mindering gebracht

|70/74|-|740|-|60|-|61|-|630|-<631/4>-<635/7>+<635>

Netto toegevoegde waarde = bruto toegevoegde waarde – niet-kaskosten

Verdeling van de toegevoegde waarde

Bruto toegevoegde waarde

= niet-kaskosten

+ personeelskosten

+ financiële kosten van het vreemd vermogen

+ belastingen

+ toegevoegde winst

De analyse van de toegevoegde waarde heeft tot doel de globale functie van de onderneming in haar economische omgeving te bestuderen.

Bruto toegevoegde waarde per werknemer

Bruto toegevoegde waarde per werknemer

= bruto toegevoegde waardemarge (%) (|70/74|-|740|-|60|-|61|) / (|70/74|-|740|)

x rotatie van de vaste bedrijfsactiva in de waarde van de productie (x)
(|70/74|-|740|) / (|20|+|21|+|22/27|)

x vaste bedrijfsactiva per werknemer (|20|+|21|+|22/27|) / |9087|

personeelskosten per werknemer

  • meer bruto toegevoegde waarde creëren dan personeelskosten
  • wanneer bruto toegevoegde waarde gemiddelde personeelskosten: bruto toegevoegde waarde gaat enkel naar het personeel
  • aandeelhouders lijden een toegevoegd verlies

personeelskosten per werknemer

= personeelskosten per gepresteerd uur x aantal gepresteerde uren per werknemer

  • een daling van de gemiddelde arbeidstijd drijft de personeelskosten per gepresteerd uur naar boven
  • het aantal werknemers omvat ook niet-selected werknemers, zonder daadwerkelijke gepresteerde uren met of zonder personeelskosten

investeringsgraad (%)

overheidssubsidiëringsgraad (%)

Lange termijn: bruto toegevoegde waardemarge als risicofactor

hoge marge => stevige concurrentiepositie

MAAR enkel indien deze niet met te hoge proportie personeelskosten gepaard gaat.

=>hoger operationeel hefboomeffect

=> onderneming gevoeliger voor daling omzet

Korte termijn: proportionele financiële kosten als risicofactor

De toegevoegde waarde illustreert de maatschappelijke bijdrage van de onderneming bij de creatie van de welvaart en is een belangrijk element bij de beoordeling van de (internationale) concurrentiekracht van de onderneming.

Lees meer...

Hoofdstuk 8: Rendabiliteitsratio’s (p197)

Brutoverkoopmarge vóór belastingen (%)

Nettoverkoopmarge vóór belastingen (%)

Evenwichtsverkoophoeveelheid

Evenwichtsverkoopbedrag

Veiligheidsmarge (%)

  • Een aanduiding voor het bedrijfsrisico van de onderneming
  • Geeft aan met welk percentage de verkopen mogen dalen vooraleer het nettobedrijfsresultaat 0 wordt

Graad van operationele hefboom

  • Hoe meer het nettobedrijsresultaat 0 nadert, hoe groter de graad van operationele hefboom
  • Indicator van da variabiliteit van het nettobedrijfsresultaat in functie van de verkopen of van het bedrijfsrisico

Hypothesen van evenwichtspuntanalyse en operationele hefboom:

1) Prijs en variabele kost per eenheid blijven constant, ongeacht het volume.

2) In de break-even-analyse worden de (totale) vaste kosten constant verondersteld voor alle mogelijke volumes.

3) Indien men evenwichtspuntanalyse toepast op een onderneming met verschillende producten, veronderstelt men dat de productmix van de diverse producten constant blijft, zodanig dat de contributiemarge voor de onderneming in haar geheel gelijk blijft.

Brutorendabiliteit van het totaal van de activa vóór belastingen (%)

Nettorendabiliteit van het totaal van de activa vóór belastingen (%)

Brutorendabiliteit van de bedrijfsactiva vóór belastingen (%)

Nettorendabiliteit van de bedrijfsactiva vóór belastingen (%)

  • De rendabiliteit van de bedrijfsactiva legt de nadruk op de prestaties van het management op gebied van verkoop en/of productie van goederen en diensten en laat toe de invloed van de financiële investeringen uit te schakelen bij de beoordeling van de handels- en industriële prestaties van de onderneming

Rotatie van de bedrijfsactiva (x)

Brutorendabiliteit van de bedrijfsactiva vóór belastingen (%)

= brutoverkoopmarge vóór belastingen x rotatie van de bedrijfsactiva

Nettorendabiliteit van de bedrijfsactiva vóór belastingen (%)

= nettoverkoopmarge vóór belastingen x rotatie van de bedrijfsactiva

Rotatie van de vaste bedrijfsactiva (x)

Rotatie van de vlottende bedrijfsactiva (x)

Nettorendabiliteit van het eigen vermogen vóór belastingen (%)

Nettorendabiliteit van het eigen vermogen na belastingen (%)

Brutorendabiliteit van het eigen vermogen na belastingen (%)

  • relatieve maatstaf voor het zelffinancieringspotentieel van de onderneming.

Financiële hefboom: verband tussen de rendabiliteit van het eigen vermogen en de rendabiliteit van het totaal van de activa.

Financiële hefboommultiplicator (x)

Graad van financiële hefboom (x)

  • De graad van de financiële hefboom is dus een aanduiding betreffende de variabiliteit (‘volatiliteit’) van de winst na financiële kosten, dus betreffende het financiële risico van de onderneming.
  • Hoe groter de graad van de financiële hefboom, hoe kleiner de multiplicator.

Financiële hefboom als som:

Nettorendabiliteit van het eigen vermogen vóór belastingen (%)

= nettorendabiliteit van het totaal van de activa vóór belastingen

+ [(nettorendabiliteit van het totaal van de activa vóór belastingen

- gemiddelde interestvoet van het vreemd vermogen)

X (vreemd vermogen/eigen vermogen)]

Waarbij: gemiddelde interestvoet van het vreemd vermogen (%)

  • Hoe groter de algemene schuldgraad, hoe sterker de financiële hefboom werkt.

Graad van operationele, financiële en totale hefboom

Graad van totale hefboom (x)

x

= graad van financiële hefboom x graad van operationele hefboom

Winst per aandeel (EUR)

  • Indicator van de economische prestaties van een onderneming.
  • Houdt geen rekening met reservering.
  • Zo stijgt de winst per aandeel ondanks het feit dat de rendabiliteit van het geïnvesteerde vermogen niet gestegen en eventueel zelfs gedaald is.

Prijs/winst-verhouding: geeft weer hoeveel maal de belegger bereid is de winst per aandeel te betalen voor één aandeel.

Prijs/winst-verhouding (x)

De waarde van een aandeel is afhankelijk van de verwachte winststroom per aandeel en zal veranderen indien de winstverwachtingen wijzigen.

Een succesvolle onderneming met goede vooruitzichten heeft een hogere prijs/winst-verhouding.

Houdt geen rekening met het dividend per aandeel.

Cashflow per aandeel (EUR)

Prijs/cashflow-verhouding (x)

Dividend per aandeel (EUR)

Algemeen dividendmodel:

P0 = marktprijs bij het begin van de periode

P1 = marktprijs bij het begin van de periode

D1 = dividend per aandeel

K = marktrendabiliteit van het aandeel

1jaar:

k of P0

n jaar:

P0

Dividendmodel met constant groeivoet:

g =constante groeivoet

Gordon-Shapiro model

Dt = D0 (1 + g)t

P0

P0 (indien k > g)

Of k

Indien d = dividendquote

Met D = dividend per aandeel

W = winst per aandeel

r = rendabiliteit van de geherinvesteerde winst

g = (1 – d) r

P0

k

Lees meer...

Hoofdstuk 7: Solvabiliteitsratio’s (p173)

Algemene schuldgraad:

- vreemd vermogen / eigen vermogen (x)

- vreemd vermogen / totaal vermogen (%)

Financiële onafhankelijkheid:

- eigen vermogen / vreemd vermogen (x)

- eigen vermogen / totaal vermogen (%)

Hoe groter de schuldgraad of hoe lager de graad van financiële onafhankelijkheid, hoe kleiner de bescherming van de schuldeisers.

Hoe hoger de schuldgraad, hoe groter het financiele risico van de onderneming.

Langetermijnschuldgraad:

- vreemd vermogen op lange termijn / eigen vermogen (x)

- vreemd vermogen op lange termijn / permanent vermogen (%)

Langetermijngraad van financiële onafhankelijkheid:

- eigen vermogen / vreemd vermogen op lange termijn (x)

- eigen vermogen / permanent vermogen (%)

Zelffinancieringsgraad (%) =

Deze ratio kan worden opgevat als een indicator van:

- de gecumuleerde rendabiliteit uit de voorgaande jaren en het boekjaar zelf

- de dividend- en reserveringspolitiek

- de leeftijd van de onderneming

Dekking van de financiële kosten door het nettoresultaat (x)

Berekening belastingvoordeel:

1) Nettoresultaat vóór financiële kosten positief en groter dan de financiële kosten van het vreemd vermogen

De gemiddelde belastingvoet t bedraagt:

t =

Belastingvoordeel = t x financiële kosten van het vreemd vermogen

2) Nettoresultaat vóór financiële kosten positief maar kleiner dan de financiële kosten van het vreemd vermogen

t = 0,34

Belastingvoordeel = 0,34 x financiële kosten van het vreemd vermogen

3) Nettoresultaat vóór financiële kosten 0 of negatief

Belastingvoordeel = 0

Hoe meer de dekking boven 1 uitstijgt, hoe groter de dekking van de financiële kosten van het vreemd vermogen. De onderneming heeft een grote veiligheidsmarge.

Dekking van het vreemd vermogen door de cashflow (%)

Hoe groter de dekkingsratio, hoe groter het deel van het vreemd vermogen dat uit de cashflow van het lopende jaar kan worden afgelost of hoe groter de schuldaflossingscapaciteit.

Dekking van het vreemd vermogen op lange termijn door de cashflow (%)

(aflossingscapaciteit van de onderneming op lange termijn)

Dekking van de schulden op meer dan één jaar, die binnen het jaar vervallen, door de cashflow (x)

Deze dekkingsratio moet minstens gelijk zijn aan 1, anders moet andere bronnen aangesproken worden om de schuldaflossingen na te komen.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen