Menu

De sociale impact van de IR: een verhit debat onder historici

Het debat richt zich op twee centrale vraagstellingen: de evolutie van de absolute levensstandaard (= materieel) en de relatieve levensstandaard (= ongelijkheid).

Tot de jaren vijftig was er sprake van een optimistische visie. Clapham stelde aan de hand van loongegevens dat de reële lonen stegen met maar liefst zestig procent. Ashton bewees hetzelfde aan de hand van factoren zoals import en exportprijzen, woongelegenheid en voeding. Ten slotte hebben we een quote van Hayek: “While there is every evidence that great misery existed, there is none that it was greater than or even as great as it had been before.”

Na de jaren vijftig ontstond een meer pessimistische visie onder invloed van de Koude Oorlog (ideologische en fundamentele meningsverschillen over ongelijkheid). Hobsbawn en Thompson stellen dat prijzen en inkomens slechts partiële informatie bevatten. Ze gaan op zoek naar de mortaliteit, werkloosheid, voeding, leef en werkomstandigheden en de cultuur. Het is duidelijk dat de pessimistische visie meer kwalitatief is, waar de optimistische visie zich richt op kwantitatieve elementen.

Na de Koude Oorlog ontstond er meer oog voor diversiteit en de ervaringen van de arbeidersklasse en besloot men dat het noodzakelijk was om studies van het reële inkomen aan te vullen met andere dan loongegevens.

Lees meer...

De visie van tijdgenoten

De meeste wetenschappers uit die tijd hadden het over iets revolutionair met intense sociale en economische transformaties.

Friedrich Engels ontwikkelde in zijn ‘Die lage der arbeidende klasse’ een aanklacht tegen de industrieel, kapitalistische productiewijze. Hij schiep een geïdealiseerd portret van de pre-industriële arbeider en probeerde aan te tonen dat het proletariaat ontstond ten gevolge van het inruilen van spinnenwielen door de spinning jenny, waarbij een surplus aan garen ontstond. Hij zag fabrieksarbeiders als slaven, die in een slechte leefomgeving moesten zien te overleven.

Lees meer...

De transformatie van de samenleving ten gevolge van de Industriële Revolutie

Hoewel de industrialisatie meestal gezien wordt als de meest ingrijpende verandering in de menselijke geschiedenis, gaat het hier over slechts één element uit een brede maatschappelijke ontwikkeling.

In enge zin kunnen we de IR definiëren als een reeks van technische vernieuwingen.. in ruime zin gaat het over een complex proces van economische en sociale ontwikkeling. Het gaat hier over een overgang van en agrarische of ambachtelijke maatschappij naar een technologische en organisatorische samenleving. Hierdoor steeg de bevolking, de output per hoofd en de globale productie. Uiteraard gaat hier een reeks implicaties mee gepaard: een bevrijding van de beperkingen van de natuur, een kapitalistisch winstbejag in alle sectoren en een vergroting van de ongelijkheid tussen landen en tussen groepen van mensen.

Op het vlak van de sociale ongelijkheid verandert er veel. Tijdens het ancien regime bestond er een sociale scheiding op basis van status en ongelijkheid (kerk/clerus, adel/burgerij en het proletariaat). Er ontstond een verscherping van het denken erover tijdens de 19de eeuw. We zien Marx met als basis het economisch criterium, Weber met verschillen in macht en Kuznets met inkomensongelijkheid.

Kuznet’s cur

De IR zorgde voor een verandering van karakter in alle groepen, waarbij nieuwe groepen naar voren kwamen (zoals de arbeiders). Op lange termijn had de wijziging van productie een groot effect op de intensivering en schaalvergroting van de productie, waarbij steeds meer mensen als arbeider werkten en een snelle productie zorgde voor prijsdalingen en massaconsumptie. Ook ontstond er een verandering in de menselijke omgeving: disciplinering, waarbij mensen minder te zeggen hadden over productie en arbeidstijd en de komst van fabrieken zorgde voor nieuwe energievormen en later milieuvervuiling.

Men kan stellen dat er sprake was van een proletariseringproces aangezien het niet langer mogelijk was om als zelfstandige ondernemer te overleven. Meer mensen moesten gaan doen aan loonarbeid.

Lees meer...

Situatie in België

Voor en kort na de oorlog waren er in België redelijk veel immigranten uit buurlanden en uit Italië werkzaam in de mijnregio’s. De aanneming na 1950 bestond uit voornamelijk mensen uit Spanje, Griekenland en late Marokko en Turkije. Over het algemeen zien we een stijgend aandeel van buitenlanders.

Na de oliecrisis in 1973 werd een migratiestop uitgeroepen, waarna in 1999 mensen werden toegelaten om volgende redenen: vrij verkeer in de Europese Unie, gezinshereniging, buitenlandse studenten, buitenlandse werknemers met arbeidskaart en asielzoekers.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen