Menu

EXPLOITATIESYSTEMEN EN LANDBOUWTECHNIEKEN 1500-1700

 grote onderlinge verschillen tussen de Europese regio’s

 producenten bezaten zelf het grootste deel vh land:

  • gronden oorspronkelijk van adel, Kerk, hogere ambtenaren en stedelijke handelaars
  • gebruikers konden in ruil voor een jaarlijkse vergoeding (= cijns) vrijwel volledig onafhankelijk over de grond beschikken

 verdelen over erfgenamen, hypothekeren, verkopen, verpachten..

  • ook veel gronden in pacht uitgebaat
  • pachters zowel sociaaleconomisch als politiek belangrijke rol
    • politieke vertegenwoordigers
  • in regio’s met hoge urbanisatie waren ook stedelingen eigenaar vd gronden
  • echter: pachtprijzen stegen sneller dan de landbouwopbrengsten  veel winst ging dan ook naar de stedelingen
  • Zuidelijk Europa: mezzadria of métayage

 overeenkomst eigenaar-pachter waarbij ook een deel vd bewerkingsmiddelen ter beschikking worden gesteld in ruil voor een deel vd productie

 dit systeem remde echter de economische groei vh platteland

 meeste West-Europese landen werkten begin VMT nog met het drieslagstelsel

  • maar 2 keer geoogst op 3 jaar
  • resultaten waren beperkt en niet voldoende om de groeiende bevolking te voeden

 grote afhankelijkheid van menselijke en dierlijke energie

 laat 16e –vroeg 17e E: nieuwe landbouwtechnieken in Nederlanden en Engeland

  • navruchten zoals klaver en rapen in teeltplan

 groei mest- en zuivelproductie

  • nieuw rotatiesysteem: ook uitputtende gewassen zoals vlas voor linnen (rest in HB)
Lees meer...

STERFECIJFERS 17de, 18de eeuw

 zwakke fysieke toestand van vroegmoderne bevolking oa merkbaar aan grote aantal handicaps en kleine lichaamsgestalte

 levensverwachting bij geboorte: 25 tot 35 jaar ( 20 % zuigelingen sterft voor 1e levensjaar)

  • slechts ½ van iedere generatie bereikte volwassen leeftijd
  • besmettelijke ziekten door primitieve watervoorziening, gebrekkige afvoer fecaliën en geringe lichaamshygiëne + chronische ondervoeding en minderwaardig voedsel vb. Tyfus en dysenterie
  • grootschalige vitaminetekorten
  • groot infectiegevaar omwille van hoge bevolkingsdichtheid en gebrekkige hygiëne in steden
  • sterftecijfer verschilde van jaar tot jaar, maar was het ergst in geval van epidemieën, hongersnoden en oorlogen en zeker als deze samenvielen

 tijdens 2e helft 18E E komen sterftepieken steeds minder voor

  • schaarste en hongersnoden reeds zeldzamer vanaf 1750
  • einde vd vele moorddadige epidemieën
  • minder oorlogsgeweld
  • geleidelijke afname vd gewone sterfte
  • Thomas Mc Keown: stijging vd welvaart en dus de kwaliteit vh voedsel

 koopkracht daalde met het sterftecijfer: geen verband met voeding

  • centrale overheid ging gezondsheidsaangelegenheden regelen + werkte vanaf 19e E aan het hygiënisch bewustzijn op structurele wijze en met meer financiële middelen

Edward Jenner

 Engelse arts die aan de basis ligt van één vd belangrijkste medische vernieuwingen ooit: het principe van de vaccinaties

 koepokkenvaccin zorgde voor levenslange bescherming tegen de pokken

 het enige virus dat vandaag de dag volledig is uitgeroeid en vd aardbol is verdwenen

Lees meer...

CONSUMPTIEPATRONEN pre-industriële samenleving

 consumptiepatroon in pre-industriële samenleving gericht op verwerven van voldoende voedsel om te overleven

  • arbeidersbudget werd voor 70% gespendeerd aan voeding
  • weinig aandacht voor decoratie of individualisering in arbeidersmilieus

 trading down: overschakelen op goedkopere (doch minderwaardige) middelen vb. Van tarwebrood op roggebrood

 doorsneedieet werd bepaald door geografische, klimatologische en financiële omstandigheden + agrarische specialisatie en commerciële netwerken

 leningen en consumptiekrediet:

  • vb joden en Lombarden
  • kredietverstrekking door particulieren werd van overheidswege verhinderd om woeker (christelijke zonde) tegen te gaan
  • oprichting van pandjeshuizen
  • Bergen van Barmhartigheid van Wenceslas Cobergher, financier en hofarchitect van aartshertogen Albrecht en Isabella
  • Mogelijkheid van geld te lenen was buffer tegen armoede

 verschuiving vh consumptiepatroon vanaf midden 17E E

  • Consumptierevolutie: materiële cultuur onderging fundamentele verandering
  • Nieuwe producten en goederen in huishoudens
  • Luxegoederen:
    • koffie, thee, chocolade
    • spiegels, schilderijen, meubels
    • lichter linnen en katoen ipv wollen stoffen
  • wijzigingen deden zich eerst voor in de steden
  • inrichting van een woning volledig anders in 1800 tussen 1500
  • evolutie naar goedkopere, brozere producten van mindere kwaliteit
  • populuxe goederen vnl. In rijke bovenlaag en middengroepen
  • paradox : daling koopkracht ?
    • herschikking vd arbeid in huishoudens
    • ook vrouwen- en kinderarbeid
    • veel huishoudtaken werden uitbesteed
  • vraag naar nieuwe goederen had grote gevolgen op vlak van distributie- en verkoopspraktijken
    • aantal winkels en markten stijgt + leurhandel wint aan belang
    • eerste vormen van reclame
    • winkelen wordt een sociaal evenement
Lees meer...

PRIJZEN EN LONEN 1300 – 1900

 koopkracht gevolgd ahv prijs- en loonreeksen

 vnl. Broodgranen

  • prijzen index van Henry Phelps-Brown en Sheila Hopkins : PHB-index vanaf 13e E in Engeland

  • scherpe prijsstijgingen kenmerkend voor de 16e en 18e E

 16e E als die van de eerste grote prijsinflatie in de Europese geschiedenis

  • ongecontroleerde geldschepping
  • te sterke bevolkingsaangroei
  • aanvoer van grote voorraden edelmetaal uit kolonies (geld toen nog intrinsieke waarde)

Wet van Gresham

 verklaring voor verstoringen in geldcirculatie

 treedt op wanneer feitelijke waardeverhouding tussen 2 munten niet meer overeenkomt met de vastgelegdeprijsverhouding

bad money drives out the good :Thomas Gresham

 voor meerderheid bevolking gevolgen prijsinflatie zeer ernstig

  • groot aanbod aan werkkrachten, lage arbeidsvergoedingen
  • koopkracht daalde tot op dieptepunt
  • massaal verkopen van onroerend goed

 vb familie della Faille: kocht grond en huizen op, verworf veel prestige en uiteindelijk zelfs een adellijke titel

 loonevolutie in VMT:

  • weinig schommelingen
  • aanpassingen pas na interval van maanden of jaren: koopkracht werd dan ook vaak uitgehold bij misoogsten
  • grote looninertie op pre-industriële arbeidsmarkt
  • zelfstandigen waren afhankelijk van wat ze voor hun goederen kregen

 reële lonen vs. Nominale lonen

  • reële lonen worden omgezet in hoeveelheden broodgranen die de tijdgenoot daarmee kon kopen
  • gemiddeld dagloon was goed voor 10 l tarwe

 reconstructie van de vroegmoderne loonontwikkeling moeilijk omwille van tijdelijke en seizoensgebonden karakter van de pre-industriële arbeidsmarkt

  • sectoren als textielnijverheid betaalden soms uit in stuklonen
  • er werden bij een gunstige conjunctuur vaak bonussen uitgedeeld

 fiscale druk in de VMT

  • oorlogsverzuchtingen vd vorst dienden (cash!) te worden gefinancierd
  • heerlijke verplichtingen en kerkelijke tienden
Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen