Menu

Traditioneel: plattelandsgemeenschap in 2 polen:

Oost en Centraal Europa: exploitatief en repressief op basis van lijfeigenschap ó west Europa: “vrije” boereneconomie

à in werkelijkheid liep het dooreen; schulden en marktinstabiliteit konden legale/contractuele onafhankelijkheid tot een illusie maken

à Wat echt telde was dus eerde de socio-politieke context en economische realiteit

MAAR: interessen van boeren & landeigenaars waren niet onverenigbaar: bv. Bij anti-fiscale revoltes in Frankrijk in jaren 1920 en ’30 verenigden de boeren zich met de landeigenaars, en soms met de clerus.

  • Sociale relaties waren dus afhankelijk van verschillende factoren
    • Boven alles stond de angst bij landeigenaars voor een tekort aan arbeid à op vele plaatsen werden daarom beperkingen op de bewegingsvrijheid van boeren ingesteld
    • Alle leencontracten bevatten een obligatie van gehoorzaamheid en onderdanigheid aan de landeigenaar
    • Landeigenaars probeerden hun winst te verhogen door verplichte landbouw op hun land te vermeerderen
    • Deze arbeidseisen veroorzaakte een van de grootste opstanden: 1680 in Bohemen
  • De Habsburgse regering trachtte beperkingen op te leggen aan de maximumarbeid => de onderdanen aldaar waren gekend als “Erbunterdanen’ – erfonderdanen
  • De vroegmoderne samenleving was niet genoeg uitgerust om plattelandsspanningen op te lossen:
    • Kerken (vooral Lutheranisme) promootten onderdanigheid
    • De kroon was zelf landeigenaar – wilde de heerlijke macht dus niet inperken

Toch: geloof in rechtschapenheid en eerlijkheid van de heerster was een universeel ideaal in Europa

  • Gemeenschappen met klachten hadden vaak geen andere keuze dan onmiddellijk naar de kroon te stappen, maar waren bang voor vergelding
  • Voor velen moet de ‘stabiliteit’ verworven door consolidatie van de natiestaten, een illusie geleken hebben

Lees meer...

Algemene veronderstelling (% adel in gehele bevolking):

Engeland & Frankrijk 1-3%

Duitse landen iets meer

Spanje 5%

Polen 8%

70-90% boerenstand (= breed spectrum van lagen: kwekers met land, landloze plattelandsarbeiders,…)

MAAR: omstandigheden waren verre van ideaal:

à oogsten mislukten

à crisis in jaren 1640, ’50 en ’90

à herstel was een lang en kostelijk proces voor boeren en landeigenaars

à Europese regeringen legden een fiscale last op

à boeren hardst getroffen

Lees meer...

Polen

  • Wet + alliantie tussen staat & orthodoxe kerk bevestigen hier de rigide hiërarchie gebaseerd op erfrecht en diensten aan de staat.
  • Mestnichestvo = plaatsingscode (voor adel) gebaseerd op genealoge en historische traditie
  • Petrinehervormingen konden sociale kloof niet dichten
  • Russische boeren hadden het steeds slechter

Rusland = een fundamenteel andere gemeenschap, gebaseerd op geweld en sociale ongelijkheid

B. Boeren, lijfeigenen en onderdanigheid

Lees meer...

Gemeenschap

Inleiding

1690:

  • groep boeren uit Denemarken in conflict met de baljuw om een som geld
  • baljuw neemt vee in beslag als zekerheid (zonder wettelijke toestemming)
  • boeren voeren wettelijk proces => baljuw arresteert ze quasi allemaal
  • de ontsnapte legt een verklaring af => sheriff beboet baljuw en stuurt aan op de bevrijding van de boeren => baljuw laat sheriff ontslaan
  • boeren 6 maand later vrij => baljuw dwingt hen tot betalen en verontschuldiging
  • 7 jaar later opeenhoping van klachten => onderzoek door de kroon => misbruik en corruptie van baljuw & gouverneur komt aan het licht => beiden gesanctioneerd, boeren vergoed

Evaluatie:

  • We kennen de feiten enkel omdat het land eigendoom was van de kroon, op privé eigendom zou geen verder onderzoek gedaan zijn
  • De druk uitgeoefend door baljuw en gouverneur werden zowel door de slachtoffers als door de kroon als onjuist beschouwd
  • Verschillen in sociale status waren van enorm belang – voor minder belangrijken was zekerheid een illusie
    • Veel van het materiaal voor de historicus is eenzijdig

A. Sociale status en sociale mobiliteit

Hiërarchie van klassen:

  • clerus
  • adel
  • ‘gewone’ burgers (derde stand)
  • boeren

ultieme autoriteit is de monarchie = vertegenwoordiger van God op aarde; gebonden aan de wet (onduidelijk wel)

de werkelijkheid is complexer:

  • Rond de koning: prinsen van koninklijken bloede, grote magnaten, adel gesteund door prominente clerus
  • Daaronder: ambtenaren & andere dienaars van de kroon, ondernemers van de militaire stand en de rechterlijke macht
  • Daaronder: “Middelste stand”: kooplieden, nijverheidswerkers, winkeliers, vakmannen,…
  • Buiten de stad: mozaïek van kleinschalige boerenholdings, gecontroleerd door dominante landeigenaars
  • In werkelijkheid was er overgang tussen onderbetaalde arbeiders van de groeiende huisnijverheid en tussen de ongeschoolde arbeiders die pendelden tussen landbouw & stad, de “dienaars” en de bedelende/vagantenklasse

  • Tijdgenoten hadden geen klassenbewustzijn (behalve adel)
  • 3e stand ging van ‘bourgeois’ over ‘middenstand’ naar ‘industrievolk’ en ‘mecaniciens’
  • de echte armen hadden geen rechten, en maakten geen deel uit van een stand
  • Zelfs in de toplagen: afbakeningsproblemen => dreiging door succesvolle leden van de derde stand die deel konden uitmaken van een nieuwe elite:

Traditionele statusverwerving door erfrecht ó status verwerven door diensten t.o.v. de koning à tradionalisten voelden zich bedreigd

  • op sommige plaatsen werd een formele “ranking” van adel opgesteld (bv. Leopold I in Oostenrijkste landen, 1671)
  • promotie door verdienste kwam voor, maar ook: door geld: geld kon toegang tot alle trappen van de elitestatus bewerkstelligen
  • ó men kon eveneens uit de adel ontzet worden als men niet meer “nobel” leefde

  • In de praktijk was het verwerven van de elitestatus een mix van persoonlijke & financiële diensten aan de kroon
  • Sommige regeringen lieten de verkoop van ambten en titels toe als sociale mobiliteit (bv. Filips II)

1. Frankrijk

  • Spectaculairste voorbeeld van impact t.g.v.verkoop van ambten
  • Dergelijke praktijken vanaf de 14e eeuw, in 1604 geformaliseerd: creatie van de paulette: een jaarlijkse belasting a.d. kroon die aan de betalende ambtenaar het erfrecht gaf zijn ambt door te geven
    • Jaren 1630: paulette 1/4e van de staatsinkomens
  • systeem kon niet zomaar afgeschaft worden; ambten werden een vorm van erfelijk eigendom. Pogingen tot hervorming => instabiliteit; de praktijken bleven een kenmerk van de Franse sociale mobiliteit tot 1789

Echter: Frankrijk was GEEN uitzondering. In andere gebieden was de sociale mobiliteit minder gesponsord door de staat, maar zeker niet minder aanwezig.

Besluit: Sociale afbakening was – in Europese gebieden met complexe politieke structuren – variabel & subjectief, niet langer enkel bepaald door geboorte.

2. Centraal en Oost-Europa

In de gebieden aangetast door de 30-jarige oorlog (1618-1648): economische ontwrichting => verergering van sociale verschillen

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen