Menu

Midden-Europa Bronstijd

Meest drastische culturele veranderingen te wijten aan een interne ineenstorting van de socio-economische systemen die de vroege- en de middenbronstijd kenmerken. Crematie wordt veralgemeend, de urne wordt geplaatst in een vlakgraf in een urnenveld. Veelal tellen deze grote grafvelden honderden graven. Het urnenveld is een blijvend element in het territorium. De bewoners van de nederzettingen blijven hun doden op de zelfde plaats begraven, ondanks de wisselende nederzettingen. Sociale status wordt niet meer in het graf geuit. Als sociaal vertoon gaat men nu over tot rivierdeposities.

De nederzettingen hebben nog steeds hun semipermanent karakter. Paaldorpen nemen hier een aparte plaats in. Recentere interpretaties wijzen uit dat het vooral oeverdorpen zijn van zo'n 10 tot 50 huizen bijeen, die door het stijgende water onder water zijn te komen staan. In Cortaillod werd een oeverdorp gevonden dat verschillende bouwfasen kende. Zo zou in 1009 v.C. het eerste huis worden gebouwd, waarna in tien jaar tijd het hele dorp wordt aangelegd. Een tweede bouwfase, tussen 997 v.C. en 991 v.C., zet het dorp uit volgens hetzelfde bouwplan. Na enkele jaren stelt men vast dat vele gebouwen aan herstelling toe zijn, en wordt het dorp volledig opgegeven. Volgens schattingen zouden in de eerste fase een 100 à 150 in het dorp gewoond hebben, terwijl in de tweede fase het bevolkingsaantal opliep tot 150 à 400. In onze gewesten zou er eventueel toch een vondst zijn die wijst op een paaldorp, namelijk in Dentergem, al is deze vondst niet betrouwbaar.

Bebouwing in grotten bestaat tijdens deze periode ook nog, maar deze worden eerder gezien als vluchtwoningen.

Cultureel spreken we in het Westen van een Rhin-Suisse-France oriëntale cultuur die gekenmerkt wordt door de urnenvelden, de bloeiende ijzerproductie en de nederzettingen aan oevers van meren en rivieren. In het oosten kennen we de Lausitz cultuur, vooral in Polen, gekenmerkt door versterkte nederzettingen, ook in natte regio's.

Lees meer...

De Tyrrheense wereld en het westen van de Middellandse Zee

De Feniciërs en andere zeevolkeren gaan zich vestigen op Cyprus tot in Sardinië. Er ontstaan zeer sterke handelscontacten. Vooral op Sardinië verschijnen koperen ossehuiden en ander materiaal in metaal in grote getale, wat er op zou wijzen dat Sardinië enorm aatrekkelijk was omwille van haar ijzererts. Er is vermoedelijk een band tussen de ‘Shardana’, een van de zogenaamde zeevolkeren, en de naam ‘Sardinië’. Een ander zeevolk wordt de ‘Shekeleh’ genoemd, en heeft een uitgesproken link met het eiland Sicilië. Het lijkt er dus op, dat de zeevolkeren die op het einde van het 2e millennium v.C. zoveel last bezorgden in het Oostelijke deel van de Middellandse zee en Egypte, zich nu richtten op het westelijke deel van de Middellandse zee en zich gingen vestigen op de eilanden. Op het eiland Sardinië zien we vanaf 1300 BC nurraghi verschijnen. Dit zijn grote torenvormige constructies, aangevuld met een of meerdere bijenkorfkoepels, waarrond nederzettingen ontstaan. Deze nurraghi konden gaan van eenvoudige constructies, tot zeer complexe forten, zoals die in Su Nuraxi, waar in totaal 5 torens deel uitmaken van het complex. Sardinië kende ook een zeer rijke bronsproductie, met onder andere beelden van krijgers.

In Etrurië verschijnen de eerste tekenen van de Etruskische beschaving. Verschillende steden zoals Cerveteri, Taraquinia of Veii ontstaan in die periode, waarna ook de eerste handelsrelaties tot stand komen met Noord- en Centraal Europa.

Het westelijke deel van de Middellandse zee is meer aangesloten bij de Atlantische netwerken. Zo zien we bijvoorbeeld diverse Atlantische late bronstijd zwaardtypes verschijnen in Zuid-Spanje tot in Sardinië. Ook mengen de Feniciërs zich vanaf de 9e eeuw in de economische wereld van het westelijk Middellandse Zeegebied.

Lees meer...

De Egeïsche Wereld Bronstijd

De Myceense beschaving is aan zijn einde gekomen mede door een vrij sterke economische instabiliteit en mogelijke aanvallen van de zeevolkeren. Na 1150 is er een heropleving in het Oosten van de Middellandse Zee. Handelaars zoals de Filistijnen en de Finiciërs, zullen al snel over de hele regio hun gegeerde cederhout en murex (schelpen waaruit een purperen kleurstof wordt gemaakt) gaan verhandelen. Ijzer verschijnt in de regio vanaf het 2de millennium, met name in de Hittietische wereld, waar het in het begin een luxeproduct is. Zo wordt er in het graf van Tout Ankh Amon ( 1327 v.C.) een ijzeren dolk gevonden. Het zou echter wachten zijn tot het einde van het 2e millennium vooraleer ijzerproductie zich zou gaan verspreiden. Pas rond 800 v.C. zou het zijn over heel Europa verspreiden.

Lees meer...

DE LATE BRONSTIJD

Inleiding

Doorheen de latere Bronstijd verdwijnt het evenwicht tussen de vijf complexen. Veranderingen omstreeks het jaar 1350 v.C. luiden de rijkste periode van de protohistorie in, waarbij het metaal alomtegenwoordig wordt in Europa. Brons komt in een andere sfeer terecht, waarbij het optreedt als sociaal symbool, iets wat men afleidt aan de riviervondsten.

Men ziet minder individuele inhumaties in monumentale grafheuvels voor de elite. Daarnaast vormen er zich namelijk ook uitgestrekte grafvelden, urnenvelden genaamd, waarbij het gecremeerde lijk geplaatst wordt in een urne in kleine vlakgraven. Dit graf fungeert niet langer als de drager van een sociale symboliek.

Gordon Childe dacht bij deze twee fenomenen aan migratie en diffusie vanuit het oosten. Ondermeer de steppevolkeren en de zeevolkeren (bekend van de Egyptische teksten en verantwoordelijk geacht voor de ondergang van de Myceense beschaving) zouden hun invloed hebben uitgeoefend en mogelijks aan volksvermenging hebben gedaan.

Nu doet men deze optiek, met een eengemaakte urnenveldcultuur, af als te simplistisch. Eerder draagt men een model voor waarbij vele culturen een gelijk funerair ritueel kennen, iets wat zijn oorzaak kent in de interne maatschappelijke veranderingen die veroorzaakt werden door het metaal.

Deze periode van expansie vormt een afwisseling van crisis en bloei. Men vermeerdert de landbouwproductie door de technische innovaties, waarbij de verhoogde voedselcapaciteit leidt tot een toename in het bevolkingsaantal. Rond 800 v.C. is er sprake van een clash tussen demografie en capaciteit. Marginale gronden worden nu in landbouwgronden omgevormd.

Als men tijdens de Bandkeramische periode nog nieuwe gebieden kan ontginnen, dan dient men tijdens de late Bronstijd uit te wijken naar oeverdorpen. Dit door de veralgemening van de kerende ploeg, de nieuwe gewassen en de uitvinding van de bronzen sikkel. Deze leidden tot een continue expansie van het rendement tussen 1400 v.C. en 800 v.C. (hoewel de begindatum van deze bloei in onze streken pas rond 1100 v.C. moet geplaatst worden). Een stijging van de landbouwproductiviteit die samengaat met specialisatie op het vlak van landbouw. De Bronstechnologie gaat zich ook veralgemenen en bereikt hogere technische toppen.

Deze periode is er een van druk en competitie, van socio-economische verschillen die zorgen voor interne verandering. Hoewel het elitesysteem verdwijnt, zien we geen egalitaire maatschappij ontstaan. Let wel: het oude krijgerideaal verdwijnt niet. De martialiteit van de gemeenschap valt af te leiden uit de rijke Oost-Europese depots van Çaka en Presov. Oorlogsvoering blijkt een belangrijke sociale competentie. Wapens en de mythe van de krijger hebben een belangrijke plaats in de maatschappij. De overgang van inhumatie naar crematie veralgemeent zich over Europa, dit gaat samen met een dichotomie tussen de hemel (crematie) en de ondergrond (deposities in meren, moerassen en rivieren).

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen