Menu

Het Empirisme: Berkeley

  • Ervaringen

Zijn nodig om te kunnen beweren dat zaken bestaan (in ons bewustzijn)

  • Idealisme

- Alle kennis = kennis van secundaire kwaliteiten

- Voor alles geldt dat het bestaat, enkel en alleen als het wordt waargenomen

- Enkel van onze voorstellingen (ideas) kan worden beweerd dat ze werkelijk bestaan

Problematiek

Verre van eenvoudig om aan te tonen dat er inderdaad een verschil bestaat in ‘objectiviteit’ of ‘realititeitswaarde’ tussen bijvoorbeeld een regenboog enerzijds, en de maan anderzijds

(regenboog = voorwerp dat niet kan bestaan zonder dat het wordt waargenomen)

  • Oorsprong van ervaringen?

- Waarnemingen = voorstellingen die we aan God te danken hebben

- Buitenwereld bestaat (ook zonder dat hij door mensen wordt waargenomen) omdat God zorgt voor het bestaan van dingen door ze voortdurend waar te nemen

- Wetenschap : houdt zich bezig met voorstellingen die regelmatig terugkeren en steeds opnieuw worden geassocieerd met andere voorstellingen

- God: maakte het mogelijk dat alle subjecten een aantal identieke voorstellingen hebben

  • Solipsisme

= leer die zegt dat het enige wat bestaat de eigen geest is, en dat al het overige dat hij meent waar te nemen door zijn geest wordt ‘uitgevonden’

- Geen externe objecten

- Enkel ervaring van de voorstellingen

- Subjecten (mensen) zijn slechts een mentale constructie

  • ‘other minds’ problematiek
  • Vraag

“Zijn er behalve ikzelf nog andere subjecten die, net zoals ik, bepaalde ervaringen hebben, gedachten, wensen, verlangens, intenties..??”

  • Mogelijke antwoorden

- Ik ga ervan uit dat het plezier, de pijn en verlangens door andere subjecten op dezelfde manier ervaren worden zoals ik ze ervaar

 zekerheid kun je hierover nooit hebben: blijft gevangen in je eigen perceptie

- Subjecten die ik rondom mij zie, kunnen robotten zijn, die zo geprogrammeerd zijn dat ze op sterk overtuigende wijze simuleren dat ze een ‘mind’ hebben

Lees meer...

Het Empirisme: Locke

  • An Essay Concerning Human Understanding

- Uitgangspunt: wil men aan filosofie doen, moet men allereerst grondig onderzoek doorvoeren van de wijzen waarop het menselijk verstand werkt

- Zekerheid van de kennis aantonen  aan alles twijfelen

- Ziel beschikt niet over aangeboren intuïties

  • Tabula rasa

Bij de geboorte is onze geest, voor we ervaringen opdoen een “empty cabinet” of een “white paper, void of all characters, without any ideas”

  • Ideas of sensation

= alle gegevens die we via onze zintuigen opdoen  zijn nodig vooraleer we kunnen nadenken

  • Ideas of reflection

= activiteiten van ons denken zelf  kunnen niet uit zichzelf ontstaan

  • Kwaliteiten
  • Primaire kwaliteiten

= mathematische en mechanische aspecten van de werkelijkheid (cf. beweging, rust, aantal, uitgebreidheid en vorm)

  • Secundaire kwaliteiten

= indrukken van primaire kwaliteiten (cf. geur, kleur, smaak, temperatuur, klank…)

  • Reflectie over de kwaliteiten

- geen reden om te veronderstellen dat de primaire kwaliteiten niet in de werkelijkheid voorkomen  van secundaire kwaliteiten kan dit niet worden gezegd

- Secundaire kwaliteiten zijn niet volledig subjectief: er is iets in het voorwerp aanwezig dat in onze geest kleur en geur oproept

- Bestaan van primaire kwaliteiten = bewijs dat we vertrouwen mogen hebben in de natuurkunde die de mathematische en mechanische aspecten van de werkelijkheid bestudeert

- Dingen worden nooit op zich onderzocht, zoals ze ‘echt’ in de werkelijkheid bestaan, maar we bestuderen ze via de voorstellingen die we ervan hebben

  • Kenvermogen

Wetmatigheden die wij aan de natuur toeschrijven = zijn het gevolg van de neiging van onze geest om associaties te leggen

- voorstellingen die zich geregeld samen voordoen  associatie

- rol van deductie wordt gering: denken = associatie – proces dat door de aard van onze vroegere ervaringen wordt bepaald

  • Empirisme

= leer die zegt dat men voor de opbouw van de natuurkunde, en ook voor het verwerven van eender welke kennis, een beroep moet doen op ervaring en niet op algemene principes mag vertrouwen

- Belang van de ervaring wordt overdreven

- Rol van de wiskunde wordt onderschat

- Metafysische begrippen worden geproblematiseerd: ze zijn niet waarneembaar en dus is hun reële of objectieve bestaan niet langer evident zoals in het rationalisme

  • Mens – en maatschappijvisie

Grondslag voor de liberale denkbeelden op het gebied van godsdienst, recht en politiek

Lees meer...

Het rationalisme: Leibniz

  • Kenmerken

- Geen systeembouwer

- 1 van de laatste denkers die alle gebieden van de wetenschap en filosofie kende en er bovendien ook belangrijke bijdragen heeft toe geleverd

  • Monaden

Ontkende dat er maar één substantie bestaat  werkelijkheid is opgebouwd

uit talloos veel substanties: monaden:

- immaterieel

- geen enkele wisselwerking

  • Harmonia praesstabilita

= oplossing voor de vraag hoe het komt dat er voortdurende interactie is tussen de dingen

  • God

= hoogste monade: heeft alle monaden zodanig geschapen dat ze met elkaar in harmonie zijn, ondanks het feit dat ze niet met elkaar in contact staan

  • Idealistisch monist

= denker die op het ontologische vlak enkel het bestaan van het geestelijke verondersteld

  • Théodicée
    • God is: - christelijk  persoon die over een vrije wil beschikt

- algoed  koos het beste model uit een oneindig aantal modellen van deze wereld: God heeft ‘de best mogelijke der werelden geschapen’

- almachtig  heeft de wereld waarin wij leven doen bestaan

- alwetend  keuze om de beste der mogelijke werelden te scheppen (kon alles overzien en door zijn alwetendheid kon hij bepalen wat de best mogelijke wereld was)

    • Opmerkingen

- Wereld kan niet volkomen volmaakt zijn: dan zou het gelijk zijn aan God en dat is absurd

- Wereld waarin vrije wil voorkomt = perfecter dan wereld zonder vrije wil

 God heeft wereld geschapen waarin vrijheid voorkomt, en door het bestaan van de vrijheid ook het kwaad !

Lees meer...

Het rationalisme: Spinoza

  • God bij Spinoza

Rede = datgene in de mens dat hem het dichtst bij God doet komen

    • De Substantie

= God die de grondslag van de werkelijkheid is / het uitgangspunt van het axiomastelsel van de wereld

 inzicht in God = grondslag van ons denken

    • Pantheïstisch godsbewijs

Oorzaken komen voort uit daaraan voorafgaande oorzaken

DUS: er moet iets zijn dat zich niet bevindt in deze keten van oorzaak en gevolg en zijn eigen oorzaak bevat (causa sui) (anders zou er immers niets kunnen bestaan)

= de substantie

- Slechts 1 substantie

- is oneindig

- is eeuwig

    • Attributen

= oneindig aantal zijnswijzen waarin de substantie zich uitdrukt

 Wij kennen er 2 : - het denken

- het uitgebreide

 concrete zaken rond ons + denkende wezens = modi die met volstrekte noodzakelijkheid voortvloeien uit de substantie (God)

    • Mind / body – probleem

Descartes: dualisme

Spinoza: parallellisme tussen denken en materie > denken en uitgebreidheid zijn noodzakelijke uitingen van dezelfde substantie, zij het in 2 verschillende attributen van God, dus kan er geen conflict zijn

    • Pantheïsme

Alles vloeit met noodzaak voort uit de substantie  wereld en God vormen een eenheid

Gevolgen: - zonder schepping is God niet volledig

- God en Natuur zijn synoniemen

- God is geen persoon: kan niets anders doen dan wat met noodzakelijkheid uit zijn wezen voortvloeit

Christenen: zien zijn leer al vlug als een vorm van atheïsme

  • Positie tegenover de Bijbel

Bijbel ≠ wijsgerig / wetenschappelijk werk dat kennis over de wereld bevat

= verzameling van historische teksten

  • enige niet historische boodschap

= oproep tot liefde voor de naaste en voor God

 als bepaalde bijbelpassages niet houdbaar blijken, moet niet het verstand zich onderwerpen, maar moet de Bijbel tot zijn ware dimensies worden herleid!

  • Durf van Spinoza

Plooit zijn reden niet naar het godsbeeld dat hij had, maar plooit zijn godsbeeld naar zijn redelijk inzicht.

 inzicht in de wereld en zin van het menselijk bestaan worden op dezelfde wijze afgeleid

  • Ethica

= leefregel voor het handelen

    • Deterministisch

Binnen determinisme  gradaties van autonomie

Mens

= wezen met een sterk verhoogde graad van autonomie  bezit vorm van gedetermineerdheid die in grote mate vanuit hemzelf komt en minder van buitenaf (zoals bij dieren / levenloze objecten)

    • Ethisch ideaal

= verhogen van de autonomie / zelfrealisatie

- Impliceert verhoogde activiteit (passiviteit = onderwerpen aan factoren van buitenaf)

- Redelijk denken = hoogste vorm van autonomie die een mens kan bereiken

- Hoogste ethische waarde = het verkrijgen van inzicht in de hoogste werkelijkheid, dat wil zeggen God als noodzakelijke oorzaak van alles

  • Vrijheid

= volgens dit inzicht leven en zich niet door passies laten beheersen

- Ware geluk: begrijpen dat al het angstwekkende in de wereld voortvloeit uit God  vanuit het standpunt van de eeuwigheid is alles wat gebeurt goed

- Ultieme geluk = liefde tot het eeuwige, oneindige en onveranderlijke wezen

  • Staatsvisie
    • Mechanicistisch

de samenleving bestaat uit groepen en mensen met allerlei belangen, die kunnen worden voorgesteld als krachten die op elkaar inwerken

    • Conclusie

Natuurtoestand blijft voortbestaan: mensen zijn egoïstische wezens, ook als ze in staatsverband leven

 het is onverstandig om alle macht in de handen van 1 persoon te leggen

 verdedigt democratie als enige staatsvorm waarbinnen de verschillende krachten binnen de samenleving in evenwicht kunnen worden gebracht

 tolerantie tegenover ideeën is nodig:

- macht van de staat is beperkt

- meningen kunnen niet worden afgedwongen

- elke poging tot het onderdrukken ervan zal onvermijdelijk contraproductief werken

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen