Menu

Economische heroriëntatie 14e- 16e eeuw

In de loop van de 14e eeuw grepen grondige veranderingen plaats in de economische structuur van de Nederlanden. Natuurlijk mogen we de effecten van de lange afstandshandel niet overschatten, maar de Nederlanden bekleedden echter wel een centrale plaats in het europees economisch systeem.

He burgerlijk kapitaal drong door op het platteland, dit in de vorm van aankoop van land en investering in veestapels. Eigenaren oefenden invloed uit op de investering in productieverhogende technieken en door bepaalde leveringen in natura voor zichzelf op te eisen (turf, tarwe, graan textiel).

De grote vraag in de steden vormde de motor achter deze investering, maar anderzijds zouden de Vlaamse steden nooit hun omvang bereikt hebben zonder de bevoorrading uit naburige streken op het platteland.

Lees meer...

Op weg naar stadstaten 13e- 16e eeuw

De radicale doorbraak in de politieke structuren van het graafschap Vlaanderen die volgde op de Guldesporenslag, lokten vanzelf reacties uit: ten eerste kwam er een nieuwe aanval van de Franse koning in 1304, die uitliep op een halve overwinning en het verdrag van Athis. Ten tweede probeerden de patriciërs de macht in de steden opnieuw naar zich toe te trekken. Onder de ambachtslieden waren er ook conflicten om macht. (In Gent zouden er 3 leden de macht onder elkaar verdelen (poorters), in Ieper 4 leden en in Brugge 9).

De west- Vlaamse boerenbevolking kwam in opstand o.l.v. Klaas Zannekin, door de rigoureuze herstelbetalingen aan Frankrijk. De opstand werd bloedig onderdrukt door een Frans leger dat door de graaf te hulp was geroepen.

Toen in 1337 de 100 jarige oorlog uitbrak, voelde men in Vlaanderen onmiddellijk de weerslag, omdat men economisch afhankelijk was van Engeland, en politiek afhankelijk van Frankrijk. Drie grote steden, Gent, Brugge en Ieper oefenden het feitelijk gezag uit. De hoofdsteden vaardigden discriminerende maatregelen uit om hun eigen textielnijverheid te beschermen. Hier kwam een einde aan toen Lodewijk van Male zijn intrede deed in Aalst ( Aalst werd één van de 3, dus 4: Gent, Ieper, Brugge en Aalst)

Lees meer...

Partijstrijd 14e- 16e eeuw

In Holland had graaf Willem IV schulden gemaakt. In die moeilijke financiële toestand deed zich een opvolgingscrisis voor na zijn dood. Willem III’s dochter, Margaretha, was gehuwd met keizer Lodewijk. Toen Lodewijk stierf was er weerstand tegen Margaretha, en installeerde ze haar minderjarige zoon Willem als stadhouder. In 1350 wou Margaretha opnieuw de touwtjes in eigenhanden nemen, maar ze vond slechts steun bij een deel van de adel en de steden. Dit mondde uit in een burgeroorlog met twee partijen: de Hoeken (die de terugkeer van M. steunden) tegen de Kabeljauwen (die Willem als graaf wouden erkennen). Willem V won de strijd. De 2 partijen berusten op adel en bestuurlijke families in steden, de scheidingslijnen liepen doorheen de standen. Af en toe laaide de strijd op.

In het graafschap Glere (sinds 1339 hertogdom) speelde zich een analoge situatie af inzake het ontstaan van een partijstrijd. De oorzaken van dit proces zijn, ten eerste een betwiste troonopvolging, ten tweede een sociale structuur, waarin de ridders een belangrijke rol speelden, steden nog volop in een emancipatieproces zaten en de geestelijkheid geen tegenwicht vormde. Het conflict werd aangewakkerd door sociale spanningen aan het begin van de honderdjarige oorlog. Alsmede ook door een opvolgingskwestie tussen de rivaliserende adellijke families Van Heekeren en Van Bronkhorst. Dit leverde een aanhoudende strijd op met Brabant. Keizer Karel IV kwam tussen beiden, en bracht willem van Gulik op de troon, dit betekende een consolidatie

Lees meer...

Constitutionele waarborgen 14e- 16e eeuw

In een drietal vorstendommen groeide de traditie om privileges en resultaten van krachtmetingen vast te leggen in documenten.

In het prinsbisdom Luik was deze traditie ontstaan in een sfeer van burgeroorlog. Na ieder gewapend treffen moest er een vredesakkoord gesloten worden. Naar aanleiding van iedere bisschopsverkiezing kwamen de partijen (de bisschop, het kapittel, het patriciaat & ambachtsgilden) tegenover elkaar te staan. Uit de vredesakkoorden kwam een bestuursvorm tevoorschijn, waarin de ambachtsgilden de stadsraad formeel in handen hadden. Hierop kwam protest, en er werd een controlelichaam ingesteld, de ‘raad der XXII’.

In Brabant ging het er iets vredelievender aan toe, de hertogen zochten steun bij de steden tegen de adel. Hiervoor vroegen de steden natuurlijk privileges in de plaats, om hun economische en bestuurlijke autonomie uit te bereiden. In vele opvolgingsgevallen was er twist, dit was ook het geval toen Hertog Jan II stierf, en zijn zoon minderjarig was. Toen dwongen de steden de inrichting van een controlelichaam af (de raad van Kortenberg), waarbij ze her recht hadden passief weerstand bieden indien het land niet goed bestuurd werd. Bij de dood van Jan III, sloten de adel en de steden een verbond uit angst voor buitenlandse inmenging en uit angst verdeeld te worden tussen de drie dochters van Jan III.

Ook in het Prinsbisdom Utrecht of het Sticht, groeide de traditie van standenoverleg. De Stichtse landbrief van 1375 was de meest volledige versie van deze standen privilegies. De standenvertegenwoordiging zou het toezicht houden op oorlogsverklaringen en bisschoppelijke ambtenaren die de landbrief zouden overtreden zouden terecht gesteld worden voor een rechtbank uit de standen. Toch kon bisschop Frederik van Blankenheim de bisschoppelijke macht consolideren en de invloedssfeer uitbereiden.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen