Menu

Cultureel en kerkelijk leven 1702-1751

In de kunsten wordt Frankrijk meer en meer als voorbeeld gezien, Nederlandse cultuurdragers voegen nog maar weinig aan hun buitenlandse voorbeelden toe. De periode kan een overgangstijd genoemd worden. Traditie, de heerschappij van de klassieken is niet langer de laatste wijsheid, ze is voorwerp van kritische toetsing.

De belangrijkste ontwikkelingen in het geestelijk leven voltrokken zich op het kerkelijk gebied en dan voornamelijk bij de Nederlandse katholieken. Enerzijds bleef het jansenisme ook in de Republiek niet zonder invloed, anderzijds begon het velen onder de geestelijken te hinderen dat de Noord-Nederlandse kerk door Rome nog steeds als een missiegebied werd behandeld, ondergeschikt aan de pauselijke nuntius in Brussel. In 1723 brak een openlijk conflict uit, een eigen Noord-Nederlandse aartsbisschop van Utrecht werd verkozen. Rome accepteerde dat niet, het kwam tot een scheuring. De oud-bisschoppelijke cleresie ontstond maar zou geen brede steun krijgen.

Lees meer...

Democratische oppositie 1702-1751

De omwenteling van 1747 was mogelijk geworden door het extern dreigende gevaar. Maar intern vond ze haar draagvlak in een groeiende ontevredenheid over de inrichting van het bestuur en de gevolgen daarvan voor de brede burgerij.

De belastingsdruk was vooral hoog in Holland, de belastingsinkomsten dienden vooral om de schulden af te betalen, ze dienden met ander woorden nergens concreet voor. Ongenoegen was er ook over de manier waarop het belastingstelsel werd in gericht. De meeste belastingen werden verpacht aan particulieren die dan een vaste som aan de overheid betaalde en de rest van hun opgehaalde geld als winst voor zich hielden. De herziening van dit stelsel was een van de programmapunten van de politieke actievoerders in 1748. Het centrum van hun actie lag in Amsterdam bij de schutterijen, de stedelijke burgerkorpsen tot handhaving van orde en rust, men noemde het de doelisten beweging.

Een nationaal programma is er in 1748 niet geweest, wel waren er twee hoofddoelen: enerzijds de afschaffing van de belastingspacht, anderzijds de verbreding van de basis waarop het bestuur rustte. De doelistenbeweging was een voorbijgaand verschijnsel, ze is wel een signaal van een op handen zijnde verandering.

Lees meer...

Binnenlands bestuur 1702-1751

Het overlijden van Willem III had het tweede stadhouderloze tijdperk ingeluid. Dit zorgde aanvankelijk vooral in de pro-stadhouderlijke provincies voor een crisis die de geschiedenis is ingegaan als de plooierijen, of het conflict tussen de Oude en de Nieuwe Plooi.

De zeven Provinciën vormden onder het tweede stadhouderloze tijdperk een nachtwakersstaat. De regering had geen doelstellingen, geen programmma. Ze nam enkel de lopende zaken waar. Zo kon zeer lang de orde gehandhaafd worden. Toch waren er die de orde wilden verstoren, de orangistische onderstroom was echter niet zo sterk als in het eerste stadhouderloze tijdperk.

Er was wel een kandidaat geweest voor de opvolging van Willem III, Johan Willem Friso van Friesland. Als vijftienjarige stond hij echter in Friesland onder voogdij van zijn moeder. Johan Willem stierf in 1711, zijn postuum geboren zoon (de latere Willem IV) werd onmiddellijk stadhouder van Friesland, later ook van Stad en Lande, Gelderland en Drenthe.

Zolang hij geen stadhouder was van Holland stond hij nergens. Het ontbrak hem ook aan een sterke orangistische partij en aan geld en zeggingschap om aan de situatie zelf iets te veranderen. Het tij keerde in 1747, toen Frankrijk een rechtstreekse aanval lanceerde op het grondgebied van de Verenigde Provinciën. (in het kader van de Oostenrijkse successieoorlog 1744-1748) Willem IV aanvaardde het stadhouderschap over héél het land en dat voor het eerst, bovendien werd de ambt erfelijk gemaakt. De facto was de republiek veranderd in een monarchie.

Lees meer...

Politieke achteruitgang 1702-1751

In 1702 werd de Republiek nog tot de grote mogendheden gerekend, zo nam zij ook deel aan de laatste oorlog tegen Lodewijk XIV, de Spaanse Successieoorlog. Ze heeft voor de Republiek echter slechts betekenis in zoverre ze heeft bijgedragen tot haar financiële uitputting. Bij de vrede van Utrecht (1713) verkreeg de Republiek een bescheiden territoriale winst, ook zou ze zgn. Barrièretroepen in de Zuidelijke Nederlanden mogen posteren tegen een eventueel nieuw Frans offensief.

De Spaanse Successieoorlog had de Republiek zoveel geld gekost dat ze de gevolgen niet meer te boven kwam. Bovendien moest in 1713 nog een groot deel van de rekening betaald worden.

De vrede nam ook de nood voor eensgezindheid binnen de Republiek zelf weg, de 'ieder voor zich' mentaliteit kenmerkte de politiek van de 18e eeuw.

Verschillende concurrenten drongen de Republiek terug in de Oostzeehandel. Nederlandse kooplieden hielden een behoorlijk aandeel in de internationale handel maar de groei van de goede jaren was al lang voorbij.

Willem III was in 1702 overleden, een nieuw stadhouderloos tijdperk begon. Het was een periode waarin de regering geen welomschreven politieke doelstelling had. De Republiek had het geluk dat de eerste dertig jaar na de vrede van Utrecht zowel Engeland als Frankrijk geen oorlog voerden, zo werd ze nog enkele decenia als grootmacht gezien. De Republiek werd pas ontmaskerd in 1747.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen