Menu

Wereldsystemen: een hybried model

De belangrijkste auteur over de wereldsysteemanalyse is I. Wallerstein. In dit model gaat men uit van
een asymmetrische indeling van de economie, boven het politieke niveau, met een kern en een periferie.
Tussen deze beide delen bestaan tal van ongelijke relaties.
Er is een ongelijke arbeidskost (core=duur, per=goedkoop), een ongelijke uitwisseling van
goederen(core=afgewerkt, per=grondstof, half afgewerkt, met winsten op transport) ongelijke
organisatie van de arbeid (core=vrij, per =onvrij)

Lees meer...

Commercialisatiemodel

Het commercialisatiemodel is uitgedacht door Adam Smith (1723-1790), vader van de klassieke
economie. Hij stelt dat het voortdurende spel tussen vraag en aanbod de economie bepaalt, en dat
daarom de staatsinterventie onnodig is. Iedereen streeft immers zijn eigen economisch en industrieel
eigenbelang na, waardoor het algemeen belang ook verbetert. Dit is de absolute triomf van het
liberalisme.


Later zal dit ook nog aangevuld worden door Von Thünen. Hij stelt dat de maatschappij ruimtelijk moet
geordend worden op de manier die het voordeligst is voor de productiekosten. Hiervoor beschrijft hij de
Von Thünen-cirkels, waarbij de zaken die het vaakst nodig zijn het dichtst bij de stad gesitueerd zijn.
De hedendaagse aanhangers van deze stromingen zijn Bruce Campbel en R. Britnell.

Lees meer...

Sociale organisatiemodellen

Bij dit dialectisch historisch materialisme wordt de nadruk gelegd op de evoluties die de
maatschappijorganisatie ondergaat. Er is een evolutie van de Slavernij naar het kapitalisme, vooral
bepaald door de arbeidsorganisatie. Marx ziet het kapitalisme als het meest efficiënte productiesysteem,
maar heeft een probleem met de klassevorming, die in de weg staat van een algemene welvaart.
Daarom wil hij evolueren naar een communistisch kapitalisme, waarbij de winst over de hele
samenleving verdeeld wordt, en niet enkel in de handen van een toplaag blijft.
Marx gebruikt de volgende conceptuele termen:
– Productiekrachten, middelen
– Productierelaties: relaties tussen zij die productiemiddelen bezitten en arbeid
verschaffen
– Productiewijzen: hij zag er vijf
– Surplus extractie en -relaties
Hij ziet gedurende de geschiedenis een transitie van de slavernij, naar het statische feodalisme waarin er
een onderscheid is tussen de niet-producerende elite met eigendom en de producerende bevolking
zonder productiemiddelen. Hierbij is er een winstafroming zonder dat deze opnieuw geïnvesteerd wordt,
waardoor de productie statisch blijft.
1 Bij lonen moet een onderscheid gemaakt worden tussen de reële en de nominale lonen. De nominale lonen zijn
uitgedrukt in geldwaarde, bij de reële lonen wordt rekening gehouden met de levensduurte, en dan vooral met de
graanprijs. Het reële loon wordt vaak uitgedrukt in liters graan.

Daarna volgt het kapitalisme, met een dynamische evolutie en voortdurende innovaties, waardoor er
aan labour saving gedaan wordt. Er ontstaan wel nieuwe klassen, wat veranderende klasserelaties tot
gevolg heeft. Er wordt wel geïnvesteerd, maar dit moet vooral tot een winstmaximalisatie leiden, en niet
tot een hoger welzijn van de arbeidersklasse.
Binnen de neomarxisten kunnen er 2 groepen onderscheiden worden. Een eerste groep ziet de
surplusextractie als de rem en stimulans van de economie (Dobb, Kosminski, Hilton, Bois, Takahashi). Dit
is de winstafroming zonder herinvestering. Anderen, vooral Robert Brenner, leggen de nadruk op de
invloed van bezitsrelaties op de economie. Hij stelt dat er een mentaliteitsverschil is tussen eigenaars en
pachters: terwijl de eersten weinig investeren, is er een constante concurrentie en innovatie door de
kapitalistische mentaliteit van de pachters.

Lees meer...

Demografische modellen

Demografische modellen zijn vooral gefocust op de spanning tussen de voorraden en de bevolking.
De eerste theoretici hiervan waren de fysiocraten. Ze hadden een afkeer van het mercantillisme, en
zagen de landbouw als basis van de economie; deze moest dan ook gestimuleerd worden in plaats van
de stedelijke industrie. De bevolking was de motor van het demografisch model: door een stijgende
bevolking was er probleem met de voorraden afkomstig van de landbouwproductie, die trager groeide.
Een eerste belangrijke econoom is hier Thomas Malthus (1766-1834). Hij stelde dat de productiefactoren
schaars waren en dat de bevolking natuurlijk stijgt. Het is een two-phase movement, met een A-fase en
een B-fase, in een cyclische opeenvolging in de lange termijn (30-50 jaarlijks).


luxeproducten blijven even duur of worden
goedkoper)
Lonen:  1 Lonen: 
De overgang van de A-fase naar een B-fase gebeurt door een crisismoment, waarin de draagkracht van
de productie veel te lang is. Deze overgang gebeurt zowel door preventive checks, zoals een hogere
huwelijksleeftijd, minder huwelijken en minder kinderen, als door positive checks, zoals hongersnood en
ziektes, die de verzwakte bevolking veel harder treffen.
David Ricardo (1772-1823) legde de nadruk op de marginale productiekosten: de totale prijs van een
product moest berekend worden op de kostprijs van het laatst geproduceerde product, en niet op het
gemiddelde. Bij sommige zaken ligt de kostprijs van grote aantallen lager dan van kleine aantallen;
voorbeelden hiervan zijn technologische zaken (auto’s en medicatie). Andere worden dan weer duurder
naarmate er grotere hoeveelheden geproduceerd worden, zoals landbouwproducten: door de
areaalvergroting worden arbeidsintensievere gronden aangesproken, waardoor de arbeidsproductiviteit
daalt.
De belangrijkste Neo-Malthusianen zijn George Duby (Franse Annales-school), Emanuel Le Roy Ladurie
(Frans, evolueerde van neomarxist naar neomalthusiaan, ook lid van de Annales) Michael Paston (Engels)
en Herman van der Wee in Leuven.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen