Menu

Demografische ontwikkelingen

Demografen houden zich bezig met de omvang van de bevolking, analyses van de bevolkingsevolutie (vooral feiten). Ruimtelijke verdeling is het verschil tussen stad en platteland. Er bestaat zowel interne als externe demografie: ze gebruiken elk specifieke bronnen (respectievelijk dynamische en statische). Externe demografie houdt zich bezig met het reconstrueren van de bevolkingsevolutie. Interne demografie is een studie van de eigenlijke gedragspatronen van een bevolking. De vier belangrijkste componenten van de bevolking zijn: vruchtbaarheid, nuptialiteit, mortaliteit en migratie.

Bovenstaande grafiek vertoont de bevolkingsevolutie van 1000 tot 2000 (het gaat uiteraard om schattingen). Schattingen: in 1000 waren er 40 miljoen mensen, in 2000 waren er 800 miljoen mensen. De conclusies die we hieruit kunnen trekken: er vindt een verdubbeling van de bevolking plaats tot aan de nieuwe tijd (1000-1500). Er vindt een verdubbeling plaats tot aan de nieuwste tijd (1500-1800). Daarna een verviervoudiging van de bevolking (1800-2000). Men spreekt van een bevolkingsexplosie. In de tweede helft van de 14de eeuw daalt de bevolking door de zwarte dood (in 1348 is ongeveer een vierde van bevolking gestorven). In de 15de eeuw (tot ongeveerd 1550) kwam de bevolking weer op hetzelfde peil als toen. In de 16de eeuw stijgt de bevolking opnieuw. In de 17de eeuw treedt stagnatie op. Vanaf de 18de eeuw stijgt de bevolking opnieuw, met eind 18de eeuw een snelle stijging.

Lees meer...

Slavernij

De maatschappij van de oudheid is ondenkbaar zonder slaven. Zij zijn echter een zeer heterogene groep. Een slaaf was er doorgaans beter aan toe dan een arme burger. Een slaaf was specifiek juridisch gedefinieerd. Schuldslavernij staat echter niet gelijk aan gewone slaven: ze blijven burger (en mogen dus niet lijfelijk gestraft of gedood worden). Een slaaf heeft geen rechten, geen bezit, ‘bestaat’ eigenlijk niet, enkel als bezit van iemand. Hij is het spiegelbeeld van een burger.
Wat was de frequentie van slaven? Slavernij is zo oud als de mensheid, en bestond tot zo’n 100 jaar geleden. In Athene waren slaven voornamelijk aanwezig binnen de zilvermijnen. In Italië waren zij het resultaat van de Romeinse veroveringen, en vindt men slaven in diverse contexten.
Er waren drie juridische manieren om slaaf te worden volgens het Romeinse recht: via geboorte, als krijgsgevangene, of door veroordeling. In werkelijkheid kwamen daar ook nog volgende oorzaken bij: vondelingen (hier bestaan geen cijfers over, maar dat kon juridisch eigenlijk dus niet, door het Romeinse principe van vrijgeboorte), piraterij/banditisme en de verkoop van zichzelf en/of de kinderen. Slaven waren een complexe groep qua sociale status: de iure stond niet gelijk aan de facto. Slaven konden en werden ook vaak vrijgelaten. Zij verschilden dan etnisch vaak niet van gewone burgers. Een vrijgelatene van een burger werd zelf volwaardig Romeins burger, hij mocht enkel geen magistratuur bekleden (zijn kinderen echter weer wel).
Wat was de economische betekenis van de slaven? Zeer divers: er waren verschillende soorten slaven in de landbouw. De rendabiliteit is sterk afhankelijk van het soort gewas en de kwaliteit van de bodem, of men al dan niet met slaven of loonarbeiders werkt. Buiten de landbouw komen de slaven voor in alle beroepen. De sector met een duidelijke oververtegenwoordiging is de zware mijnindustrie (strikt genomen eigenlijk een uitgestelde doodstraf). Opmerkelijk is dat er een soort van dynastieën ontstaan van vrijgelatenen (die elkaar opvolgen).
Is de antieke economie nu een slaven-economie? Qua aantallen zeker niet (behalve in Italië). Qua organisatie misschien wel: alle ondernemingen lijken slaven te gebruiken.

Lees meer...

‘Economische’ indelingen van de bevolking

Hoe bepaalt de economie de indeling van de bevolking en andersom? Zowel de Griekse als de Romeinse polisstructuur is timocratisch: volgens vermogensklassen (maar men keek bv. ook naar eerbaarheid). Deze indeling is relevant voor enkele aspecten van de maatschappij, bv. stem- en kiesrecht. De aristocratie kende nog een veel vagere indeling: zij waren de ‘beste burgers’, maar wie zijn dat dan precies? Overwegend waren het grootgrondbezitters (dat was de norm). De aristocratie toont zich echter in de eerste plaats in de steden (stedelijke elite). De hoofdfuncties zijn voorbehouden voor de hoogste vermogensklassen: zij worden namelijk geacht zelf hun kosten te dekken. Het begrip aristocratie was ook niet juridisch gedefinieerd, maar werd erkend in de keizertijd. Wie kon ertoe behoren? Het was een vrij open systeem: je moest vrijgeboren zijn en het burgerrecht bezitten. Dat waren de enige vereisten. Informele criteria: opleiding is zeer belangrijk (zeker letteren en retoriek) en afkomst uit een goede familie, en als laatste talent. Het ideaalbeeld van een aristocraat kwam niet overeen met de werkelijkheid: er was veel status dissonance (waarbij men zeer hoog scoort op een van de criteria, maar laag op de andere).
De verdeling rijkdom-armoede is vrij vaag indien het cultuurgebonden is. We zijn gebonden aan indrukken. We zijn er vrijwel zeker van dat er voor klassiek Athene relatief weinig ongelijkheid was: geen massa armen. In Italië, 1ste eeuw v.C.-2de eeuw, zijn er een aantal extreem rijke figuren (een heel klein deel van de bevolking), een groep extreme armen (vooral in de grootstad Rome met toen 1 miljoen inwoners) en een tussengroep. Voor de rest van het rijk zijn we niet op de hoogte: er is onduidelijkheid. De algemene indruk is dat de stedelijke bevolking niet overwegend arm was. Over het platteland is men zeer slecht geïnformeerd, maar vermoedelijk waren er bepaalde regio’s (niet algemeen dus) met extreme armoede. De stedelijke elite zorgde ervoor dat de stadsbevolking niet te zeer verarmde, onder andere door graanuitdelingen, bouwprojecten, etc. Ze hadden namelijk aanzien nodig om verkozen te worden.
Collegia waren zeer hiërarchisch gestructureerd, ook onderling: zij institutionaliseren de sociale differentiatie. Ook op het platteland is er een grote variatie: er zijn eigenaars, pachters (zowel privé als van de keizer), landarbeiders, etc. Er was een vrij grote flexibiliteit ten voordele van pachters? Het waren geen strikt gescheiden groepen, wat nauw samenhangt met de cyclus van het boerengezin. De archeologie wijst uit dat de economie ook belang hechtte aan artisanale productie. Dagloners vindt
men terug zowel op het platteland als in de stad (bv. bij grote bouwprojecten, havens, etc.): het was een heel mobiel systeem dat niet scherp was afgebakend.

Lees meer...

Het Grieks-Romeins maatschappijmodel: burger, polis, imperium

Waar staat de oudheid in dit debat? In de oudheid is er een complexe samenleving, de sociale orde is multidimensionaal, zowel in Griekenland als in Rome: verschillende criteria zijn relevant voor de sociale positie:
- Burgerschap
- Vrijheid (geboren, vrijgelaten, etc.) versus slavernij
- Opleiding
- Cultuur (Homerus, Vergilius lezen)
- Gender (politieke ambten voor mannen)
- Rijkdom
- Leeftijd
29
Bovendien is er een zeer grote culturele verscheidenheid (zelfs variatie binnen de dominante culturen): Berbers Afrika, Iberisch Spanje, Italië, Griekenland, etc.. In het kerngebied van Griekenland moesten vrouwen binnenshuis blijven, wanneer ze buitenshuis kwamen moesten ze gesluierd zijn, aangezien men in Athene zei dat enkel de schaamteloze vrouwen op straat kwamen: slavinnen etc. In Rome daarentegen mochten de vrouwen wel gewoon op straat komen (zij beschikten ook over een eigen vermogen). In de vroegste perioden (7de-6de eeuw v.C.) is er een sociaal systeem dat geordend is op basis van clans en bloedverwantschap. In Griekenland zijn er ook nog verschillende age groups met specifieke functies voor bepaalde leeftijdsgroepen. Vanaf de 7de-6de eeuw v.C. ontwikkelt de polis zich: het wordt de hoeksteen van de antieke samenleving! De polis in de oudheid staat niet gelijk aan de stadstaat in middeleeuws Europa. De polis is in de eerste plaats een geordende politieke gemeenschap van burgers, het grondgebied is secundair. Rechten en plichten verwerven ze enkel op basis van het burger-zijn (burgerrecht), zelfs indien men niet in de stad woont, maar bv. in een dorp. Het kan gebeuren dat enkele van deze dorpen zelf een sterk karakter krijgen (stedelijke ontwikkeling), maar ze blijven behoren tot de civitas. In de polis heerst een urbane cultuur (behalve op economisch vlak: vooral agrarisch): alles vindt plaats in de kernstad: tempels, politieke instellingen, volksvergaderingen komen er samen: daar toont de elite haar macht en daar worden belangrijke beslissingen genomen.
Deze polissen krijgen op een gegeven moment een dak boven hun hoofd, wanneer de imperia ontstaan: er komt een machtscentrum (koningen, keizers) boven de steden, met eigen instellingen zoals leger, provincies (die vaak de stedelijke instellingen doorkruisen). Maar de supra-stedelijke macht is vaak slechts een dunne bovenlaag. De polis-gemeenschappen blijven fundamenteel hetzelfde. In de Romeinse tijd wordt de idee van burgerschap gesublimeerd: men kan tegelijk Romeins burger zijn als burger van een bepaalde civitas: dubbel burgerschap.
Het Grieks-Romeinse civilisatieproces was een heel geleidelijke evolutie: de lokale bevolking houdt lange tijd haar eigen instellingen, maar neemt geleidelijk aan de Griekse/Romeinse instellingen over: Hellenisatie en Romanisatie. Stedelijke modellen worden geleidelijk aan verspreid. Bv.: de Romanisatie van Gallia Comata in 3 fases:
 Eerste fase:
Gallia Comata komt ongeveer overeen met de huidige Provence. Verloop van de eerste fase: eerst verovering door Caesar, daarna inrichting door Augustus (22 v.C.). Er ontstaan provincies en stammen worden civitates. Ze behouden hun lokale autonomie en hun eigen instellingen. Elke civitas heeft één hoofdstad. De relatie met Rome wordt geregeld in verdragen en de ‘provinciewet’. Uiteindelijk ontstaat het Romeins burgerschap en worden de auxilia bevolkt door plaatselijken en worden ze zo volwaardig Romeins burger. Hierdoor wordt de groep Romeinse burgers groter. De instellingen van de civitates werden zo meer en meer Romeins.
 Tweede fase:
Als de civitates voldoende geromaniseerd waren, kregen ze erkenning als ‘municipium latinum’: er ontstaat een stadsgrondwet en stedelijke instellingen naar Romeins model. De burgers worden ‘Latijns burger’: dit wil zeggen dat ze onder het Romeins recht vallen, maar geen politieke rechten hebben. Magistraten en raadsleden krijgen
30
volwaardig Romeins burgerschap. In deze fase versnelt de toename van het aantal volwaardige burgers.
 Derde fase:
De civitates worden ‘municipia romanum’. Dit wil zeggen dat de burgers volwaardig Romeins burgerschap krijgen. Bovendien genieten ze een ruime autonomie (eigen rechtspraak, wetgeving, etc.). In 212 werd met de constitutio antoniniana iedere inwoner van het Romeinse rijk automatisch Romeins burger. We zien de opkomst van het dubbel burgerschap: men werd Romeins burger en bleef tegelijkertijd burger van de eigen stad.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen