Menu

Wat?

Van Dale woordenboek:

  • Mededeling (zender centraal)
  • Verbinding (weinig gebruikt, transport)
  • Uitwisseling gedachten (afw. Zender en ontvanger)

Etymologisch: communicare (lat.) – gemeenschappelijk maken

Niet 1 bep def, maar goed:

  • Operationeel binnen bepaalde visie/departement
  • Logisch/ coherent
  • Niet tegengesproken door de waarheid
  • Onderscheidbaar van andere maatschappelijke verschijnselen

Processchool (meest dominant) :

  • Communicaitie = Transmissie van boodschappen
  • Zender – ontvanger – boodschap – medium/kanaal – coderen/ encoderen - ...
  • Efficiëntie en accuuraatheid
  • Proces waarbij 1 persoon het gedrag/de gedachten van een andere pers. Beïnvloedt (zender centraal)
  • Effect is niet het bedoelde: communicatiefout -> kijken in de verschillende fasen
  • Leunt aan/steunt op soc. Wetenschappen & psychologie
  • Arts of communication (Handelingen !!!: actoren en intenties)

Betekeniscreatie-school:

  • Communicatie = productie en uitwisseling van betekenissen
  • Hoe boodschappen/teksten met mensen interageren en betekenissen creëren
  • Verschillen = niet noodzakelijk fout maar resultaat van culturele verschillen tussen partijen
  • Communicatie = studie van de teksten
  • Methode: semiotiek (tekenleer)
  • Works of communication (kunstwerken, reclamespots, soaps,...)
Lees meer...

Inleiding

Geen ‘correcte’ def:

* Andere mensen, andere invullingen en interpretaties, subdomeinen

* 2 dominante tradities (Health & Bryant, 1992):

- processchool

- betekeniscreatieschool

Lees meer...

Lange-termijn effecten

  • Periode: vanaf jaren ’60- ’70
  • Uitgangspunten:
    • Terugkeer van de machtige media?
    • Lange-termijn-effecten (cfr. stalagmieten-theorieën)
    • Effecten van informatie (nieuws) en fictie
  • Agenda-setting-theorie
    • Mc Combs & Shaw
    • Studie van presidentiële campagnes in 1968, 1972, 1976
    • Wat zijn de belangrijkste issues volgens de media en volgens de kiezers?
    • Media bepalen waarover mensen nadenken
    • Bernard Cohen (1963) : “The press may not be successful much of the time in telling people what to think, but it is stunningly successful in telling its readers what to think about.”
    • Onderliggende assumpties:
      • Media reflecteren de realiteit niet, ze selecteren (gatekeeping) en vervormen : bepaalde onderwerpen krijgen aandacht, andere niet of minder. Bepalen dus ook mediaagenda
      • Concentratie op beperkt aantal thema’s en onderwerpen, heeft effect op publiek
  • Verfijningen:
    • Media-aandacht alleen niet voldoende is om agenda-setting te verklaren:
      • Belang van aard van het onderwerp
      • Belang van de presentatie
      • Belang van de positionering : waar komt het item in het nieuws ?
  • Verfijningen:
    • Niveaus van agenda setting:
      • First level agenda setting (cfr supra): invloed van hoeveelheid berichtgeving (waarover denken mensen) – priming: media bepalen ook de criteria op basis waarvan mensen problemen en situaties beoordelen : hoeveelheid berichtgeving/ aandacht effect heeft op de mensen dat men die als belangrijk gaat selecteren
      • Second level agenda setting: invloed van cognitieve en affectieve invalshoek in berichtgeving (hoe denken over issue) – framing : meer op personen gericht dat op media of gebeurtenissen.
      • Intermedia agenda setting : bespreking kandidaten, regering heeft media in de hand.
  • Priming : beoordelen van mensen of gebreurtenissen gaat men beschikken over wat ze weten van de media = psychologisch mechanisme
  • Framing : probeert dat media issues onderwerpen, ze op een bep manier onderwerpen framen en zo invloed uitoefeningen op de lezers ervan
  • Zwijgspiraaltheorie
    • Noelle Neumann, 1974
    • Mensen zwijgen wanneer ze denken dat ze een minderheidsopvatting aanhangen
    • Kritiek op zwijgspiraal:
      • Niet één grote opvatting (links versus rechts). Elk individueel thema kan voorwerp worden van een zwijgspiraal.
      • Zwijgspiraal is wellicht contextafhankelijk.
      • Vrees voor sociaal isolement is wellicht verbonden met persoonlijkheid.
    • Kritiek op zwijgspiraal:
      • Groepsprocessen: vrees voor isolement is aangetoond. Maar theorie maakt sprong van groeps- naar maatschappelijke processen. Hangt af van de context of mensen gaan spreken of zwijgen.
  • Cultivatietheorie
    • Culturele indicatoren-project van George Gerbner (Annenberg School of Communications, Pennsylvania)
  • Mensen die vaak tv kijen hebben overdreven beeld van het geweld in de maatschappij, bij hert oplossen van de vragen gaan ze antwoorden volgens wat ze kennen
    • Uitgangspunten:
      • Tv als storyteller, bron van socialisatie : tv vertelt ons verhalen en leert wat goed en slecht is
      • TV schetst homogeen beeld, creëert schijnwereld : door commercialistering mediawereld ontstaat homogeen beeld , alle programma”s hebben zelfde typsche kenmerken
      • Kijkers zijn niet selectief (ritueel) : gaat in tegen de U en G theorie ; mensen kijken tv met de klas en er is niets te doen dus kijken ze tot slapen
      • Publiek heeft effect op programmamakers :
      • Incidenteel leren : weinig leren bewust van N toch onbewust engels leren.
    • Drie onderzoeksluiken:
      • Institutional Process Analysis (communicator) : welke invloeden spelen er wat bepaald wat in media komt ? hoe komt inhoud tot stand, welke factore ?
      • Message System Analysis (inhoud) / nagaan wat tv ons brengt : inhoudsanalyse, kwantitatieve
      • Cultivation Analysis (effecten) : blootstelling effecten op LT op de inhoud
    • Institutional Process Analysis (communicator): invloeden van :
      • Financiers
      • Managers
      • Toeleveranciers
      • Collega’s
      • Concurrenten
      • Experts
      • Maatschappelijke belangenroepen
      • Publiek
    • Message System Analysis (boodschap):
      • Aandacht, nadruk, tendens, en structuur
      • Voornaamste onderzoeksthema: geweld in de media
      • Nadien ook andere onderwerpen : bv seksualiteit, sekserollen, gezondheid, politiek…
    • Cultivation analysis (effecten):
      • First and second order effects
        • Bv. schatting aantal politie-agenten, aantal zware geweldmisdrijven, …
        • Bv. “Mean world syndrome”
      • Mainstreaming: zware tv-kijkers verschillen minder van elkaar dan lichte tv-kijkers
      • Resonance: dubbele dosis wanneer realiteit en TV-realiteit op elkaar aansluiten
    • Kritiek op de cultivatietheorie:
      • Kleine, beperkte “effecten”
      • Causaliteit?
      • Homogene televisie-inhoud en blootstelling
      • “Tellen” volstaat niet om de boodschap van televisie zichtbaar te maken Relatie tussen first- en second order estimates?
  • Mediatheorie (channel theory, media formalism)
    • McLuhan 1964 : mensen dachten vroeger lineair, na tv non- lineair
  • idee erg uiteenkopen en inconsistent
  • van de empiristen : gebruiken exp om het echt te testen ,
  • neomarxistische
    • Nadruk op de kenmerken van het medium zelf (ipv inhoud) :
    • Technologie heeft (positieve) invloed op individuen en samenleving (cfr. the global village)
    • Bekende uitspraken van McLuhan:
      • The medium is the message /The medium is the massage
      • The content of a new medium is an old medium (cfr. the horseless carriage syndrome)
      • Hot media (bv. krant) versus cool media (bv. televisie) : indeling betwistbaar en tegenwoordig zeker onhoudbaar
  • Kritische ‘cultural studies’ en de media
    • Jaren ’60 Europese theoretici (neomarxisten) die zich concentreren op massamedia en hun rol bij het promoten van een hegemonisch wereldbeeld
    • “British Cultural Studies”
  • Ontdekking dat mensen vaak weerstand bieden aan dominante gezichtspunten, alternatieve interpretaties naar voor schuiven (dus geen rechtsreeks effect)
Lees meer...

Actieve publiek

  • Uses- and gratifications theory (Katz et al. 1974) (de “nuttigheidstheorie”):
    • Vroege studie: Audiences for Daytime Radio Serials - Herzog (1944)
    • Berelson (1949) : What missing the newspaper means
    • Studie: “Television in the lives of our children” – Schramm (1958-1960)
    • Uitgangspunten
      • Het publiek is actief (wat doen mensen met media?)
      • Mediagebruik is doelgericht
      • De media concurreren met andere bronnen van behoeftenbevrediging
      • Er is een verband tussen de behoeften van mensen en hun mediakeuze
      • Mediagebruik kan een wijd spectrum aan behoeften bevredigen (cfr. McQuail 1983: informatie, persoonlijke identiteit, integratie en sociale interactie, entertainment)
      • Op basis van de media-inhoud kan men geen nauwkeurige schatting van het behoeftenpatroon maken.
      • De verkregen voldoening kan voortvloeien uit:
        • De media-inhoud
        • De blootstelling aan de media als zodanig, onafhankelijk van de media-inhoud
        • En/of de situatie waarin de blootstelling plaatsvindt
      • Vanuit U&G wordt geen waarde-oordeel gegeven over culturele betekenis van massamedia, noch aan ontleende bevrediging.
  • Aanvullingen (1): gratifications sought versus gratifications obtained
  • Aanvullingen (2): Media dependency theory (DeFleur and Ball-Rokeach (1976)):
    • Hoe meer afhankelijk individu is van medium voor bevredigen behoeften, hoe belangrijker medium is voor hem of haar
  • Kritiek op U&G:
    • Erg individualistisch – sociale context over het hoofd gezien (bv. soms wordt mediagebruik “opgelegd”)
    • Relatief weinig aandacht voor de media-inhoud
    • Gebaseerd op zelfrapportering
Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen