Menu

Lakatos

·Lakatos gaf toe dat uitspraken altijd door een theoretische context bepaald werden, maar deed een poging om Poppers logica van falsificatie en de idee van lineaire groei van wetenschap te redden:

1. Wetenschappers werken in het kader van onderzoeksprogramma’s, ketens van samenhangende theorieën. Een onderzoeksprogramma bestaat uit een aantal uitspraken die niet gefalsifieerd mogen worden (harde kern – opgebouwd met behulp van de negatieve heuristiek) en een aantal uitspraken die wel gefalsifieerd mogen worden (beschermende gordel – opgebouwd met behulp van de positieve heuristiek). Hij creëerde zo een kader waarbinnen theorieën wél aan afzonderlijke uitspraken getoetst konden worden, met andere woorden, waarbinnen de logica van falsificatie wél dwingend was.

2. Hij ontwikkelde een criterium om tussen twee onderzoeksprogramma’s te kiezen. Zijn criterium is de productie van nieuwe informatie. Een programma is theoretisch progressief als elke nieuwe theorie voortgebracht door het onderzoeksprogramma meer voorspellingen doet dan haar voorgangers; een programma is empirisch progressief als voorspellingen door steeds nieuwe waarnemingen worden bevestigd. Een degenererend programma stuit op steeds meer theoretische en empirische problemen en moet op een gegeven moment opzij gezet worden.

Lees meer...

Kuhn

·Kuhn werkte uit wat de ideeën van Duhem en Quine – er is geen eenduidige verificatie of falsificatie van uitspraken; uitspraken ontlenen hun betekenis niet aan de ‘harde feiten’, maar aan het geheel van de theorie – in de geschiedenis en de wetenschappelijke praktijk betekenen.

1. Dat er geen verificatie of falsificatie van uitspraken mogelijk is, betekent dat lineaire, progressieve groei van kennis (presentisme of Whig history) onmogelijk is. Volgens Kuhn wordt de geschiedenis van de wetenschap gekenmerkt door perioden van normale wetenschap gescheiden door revoluties. In een periode van normale wetenschap heerst een paradigma (tekstboekvoorbeeld van wetenschap; breder: een conceptueel kader). Normale wetenschap kenmerkt zich niet door pogingen om enig theorie te weerleggen, maar juist door pogingen om problemen (anomalieën, puzzels) op te lossen. Als de anomalieën langdurig onoplosbaar blijven, ontstaat er een gevoel van crisis. Er is iets mis met het oude paradigma. Er volgt een wetenschappelijke revolutie. Veel van wat voorheen als ‘wetenschap’ werd beschouwd, wordt afgeschaft. Een nieuw paradigma krijgt gestalte: formulering van nieuwe standaarden, normen en begrippen.

2. Dat uitspraken hun betekenis niet aan ‘de’ werkelijkheid ontlenen, maar aan het geheel van de theorie, betekent dat paradigma’s incommensurabel zijn. Er bestaat geen neutrale, objectieve manier om van twee paradigma’s de ‘beste’ te kiezen. Standaarden voor wat goede wetenschap is, wat legitieme kennis vormt en zelfs wat termen betekenen kunnen nooit onafhankelijk van de één of andere theorie (c.q. paradigma) toegepast worden. Voorbeeld 1: in het paradigma waarin Ptolemaeus werkte, gold de overeenstemming van de theorie met de waarneming als maatstaf van goede wetenschap; in het paradigma waarin Copernicus werkte, gold eenvoud van de theorie als maatstaf van goede wetenschap. Voorbeeld 2: in het paradigma van Ptolemaeus heeft de term ‘planeet’ (hemellichaam dat om de aarde draait, dus ook de zon) een andere betekenis dan in het paradigma van Copernicus (hemellichaam dat om de zon draait, dus ook de aarde).

·Gevolgen voor Kuhns onderzoeksprogramma

1. Hij onderzoekt de ‘context of discovery’ (volgens hem is kennis van de werkelijkheid immers veranderlijk), noch de ‘context of justification’ (volgens hem is er immers geen neutraal demarcatiecriterium tussen goede en slechte wetenschap). Hij onderzoekt geen kant en klare wetenschap, maar wetenschap in actie, de antropologie van wetenschap: hoe een gemeenschap van wetenschappers feitelijk leeft en werkt. Er vindt een verschuiving plaats van een internalistische verklaring voor wetenschappelijke ontwikkeling: een verklaring vanuit de manier waarop ideeën in elkaar grijpen en uit elkaar volgen; naar een externalistische verklaring voor wetenschappelijke ontwikkeling: een verklaring vanuit de manier waarop andere (sociale, economische, politieke, culturele) factoren wetenschappelijke ideeën beïnvloeden. Voorbeeld: sociale factoren: emancipatie van handwerkers en kunstenaars: verzwakt het vooroordeel tegen handwerk – er komt in de wetenschap meer ruimte voor het experiment; grotere bereidheid om in groepen samen te werken. Elke wetenschappelijke benadering is eigen aan en gevormd door het tijdperk waarin het voorkomt.

2. De sociale wetenschappen en de geesteswetenschappen hebben geen paradigma’s in de zin van een consensus over methoden, standaarden enzovoorts. Zij verkeren nog in een preparadigmatisch stadium.

·Bezwaren tegen de wetenschapsfilosofie van Kuhn

1. Het is elitair: een paradigma wordt bepaald door de wetenschappelijke elite. Maar Kuhn zegt een paradigma is niet een bewuste creatie van een groep wetenschappers, maar een structureel gegeven.

2. Het is irrationeel: de keuze tussen twee paradigma’s hangt af van irrationele factoren zoals overredingskracht en groepsdwang in plaats van redelijke argumenten. Maar Kuhn zegt alleen dat er geen logisch dwingende redenen voor de keuze tussen paradigma’s zijn, niet dat er geen heel goede redenen zijn, bijvoorbeeld: nauwkeurigheid, interne consistentie, breedheid, helderheid en duidelijkheid.

3. Het is relativistisch: waarheid is niet objectief, onafhankelijk van een paradigma, vast te stellen. Maar volgens Kuhn bestaat er wel een objectieve werkelijkheid, we kunnen er alleen geen uniek correcte beschrijving van geven.

4. Het is pessimistisch: het geeft de idee van wetenschappelijke vooruitgang op. Maar volgens Kuhn is er binnen een paradigma wel vooruitgang mogelijk, namelijk het steeds beter oplossen van puzzels. Hij sluit niet uit dat een paradigma heel lang kan bestaan.

Lees meer...

Duhem, Quine

·Popper heeft op grond van de inzichten van Hume en Kant aangetoond dat de logica van empirische verificatie niet dwingend is; Duhem en Quine hebben aangetoond dat de logica van falsificatie niet dwingend is.

·Duhem toonde aan dat een één op één relatie tussen een waarneming en een theorie niet mogelijk was. Een schijnbare tegenstrijdigheid tussen een waarneming en een theorie kan behalve aan een foute theorie, ook liggen aan een fout in de instrumenten of aan de verwerking van de informatie. Dit betekent dat de logica van verificatie, noch van falsificatie dwingend is. We kunnen volgens Duhem alleen afspreken waar we de fout zullen lokaliseren. Als de rol van conventies toeneemt, dan dreigt wetenschappelijke kennis haar anker in de feiten volledig te verliezen en te verworden tot niet meer dan een complex geheel van afspraken.

·Quine gaf een filosofische argumentatie voor de bevindingen van Duhem.

1. Het is niet mogelijk om synthetische uitspraken restloos van analytische te onderscheiden met het doel om ze te testen. Er zijn enerzijds geen zuiver analytische uitspraken. Een uitspraak (hoe analytisch ook, bijvoorbeeld een lexicografische definitie) hangt altijd samen met een waarneming of ervaring van de buitenwereld (synthetische uitspraak). Voorbeeld: de analytische uitspraak ‘alle ongetrouwden zijn vrijgezel’ is in onze ervaring dubieus. Er zijn anderzijds geen zuiver synthetische uitspraken. Een uitspraak (hoe synthetisch ook, bijvoorbeeld over een zintuiglijke waarneming) hangt altijd samen met een theoretische veronderstelling (analytische uitspraak). Voorbeeld: in het Engels is de uitspraak ‘Jim is a bachelor’ afhankelijk van de analytische uitleg van ‘bachelor’. Analytische en synthetische uitspraken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

2. Dit betekende volgens Quine dat uitspraken (hoe synthetisch ook) hun betekenis niet ontlenen aan correspondentie met de ‘harde’ werkelijkheid (een theorie is onderbepaald door de empirische waarneming), maar aan het geheel van de theorie (er is sprake van betekenisholisme). Er is dus geen sprake meer van theorieonafhankelijke feiten (in geval van verificatie) of uitspraken (in geval van falsificatie) waar een theorie restloos aan kan worden getoetst. Een theorie creëert in belangrijke mate de werkelijkheid (ontologie) die zij beschrijft. ·Consequenties: Enerzijds kan dezelfde waarneming tegenstrijdige theorieën empirisch bevestigen. Voorbeeld: de waarneming ‘zij gaat met een ander’ kan de uitspraak ‘zij houdt niet van hem’ bevestigen binnen het theoretische kader van een monogame cultuur; de waarneming ‘zij gaat met een ander’ kan de uitspraak ‘zij houdt van hem’ bevestigen binnen het theoretische kader van een polygame cultuur. Anderzijds kan een theorie altijd worden aangepast om twee schijnbaar tegenstrijdige waarnemingen te verklaren. Voorbeeld: in het licht van de schijnbaar tegenstrijdige waarnemingen (1) ‘ze gaat met hem’ en (2) ‘ze gaat met een ander’ kan de theorie ‘zij houdt van hem’ staande worden gehouden binnen het theoretische kader van een polygame cultuur.

Lees meer...

Karl Popper

·Ook Popper zocht niet naar een verklaring voor de mogelijkheid van objectieve kennis, maar naar een verklaring voor de verandering en verbetering van kennis. Ook hij keek naar de uitspraken van wetenschappers. In tegenstelling tot de leden van de Wiener Kreis, wordt het onderscheid tussen wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke uitspraken volgens hem niet bepaald door het zoeken naar de empirische fundering van uitspraken (= het verificatie- of confirmatiecriterium).

·Hij voerde twee argumenten aan tegen het verificatie- of confirmatiecriterium:

–Inductie is niet logisch dwingend. Een universele uitspraak kan nooit door empirische waarneming dwingend bevestigd worden, omdat die uitspraak altijd door een volgende waarneming weerlegd kan worden. De uitspraak ‘alle raven zijn zwart’ kan na jaren ineens weerlegd worden door de waarneming van één witte raaf. Popper noemde dit Humes inzicht, want Hume begreep dat inductie onmogelijk was.

–Er is geen reden om metafysische uitspraken af te wijzen als niet-wetenschappelijk. Ook niet-verifieerbare uitspraken kunnen dienen om wetenschappelijke kennis te vergroten. Alle kennis is in principe theoretisch (analytisch). Popper noemde dit Kants inzicht1, want Kant begreep dat kennis door de geest geconstrueerd wordt.

·Poppers conclusie luidde dat wetenschappelijke kennis zich onderscheidt door falsifieerbaarheid. Echte wetenschap zoekt haar uitspraken zo te formuleren, dat zij gefalsifieerd kunnen worden. Daarentegen zijn pseudo-wetenschappelijke uitspraken zo geformuleerd dat zij niet weerlegd kunnen worden: heel algemeen of juist heel specifiek.

·Proces van falsificatie:

–Een wetenschapper doet een uitspraak, een hypothese

–Deze hypothese (bijvoorbeeld ‘Alle zwanen zijn wit’) wordt niet getoetst aan de observatie, maar aan theoretische uitspraken (basiszinnen); voorbeelden van basiszinnen: ‘er bestaat een witte zwaan’, ‘er bestaat een bruine zwaan’. Een basiszin die in logische tegenspraak met een theorie is (‘Er bestaat minstens één zwaan die niet wit is’), heet een potentiële falsificator.

–Wetenschappers moeten aangeven welke basiszinnen zij als potentiële falsificatoren aanvaarden, dat wil zeggen onder welke omstandigheden zij bereid zijn om hun theorie op te geven. Alleen dan is de uitspraak van de wetenschapper wetenschappelijk te noemen.

–Uitvoeren van een cruciale test: systematisch uitvoeren van een observatie of experiment om de geldigheid van de potentiële falsificator te testen.

–Indien de potentiële falsificator aanvaard wordt, is de theorie gefalsifieerd; indien niet, is de theorie gecorroboreerd.

–Indien de theorie gefalsifieerd wordt, kan die vervangen worden door een betere: falsificatie verklaart de verandering en verbetering van kennis. ·Opmerkingen:

1. Corroboratie is niet gelijk aan (empirische) confirmatie of verificatie. Ook een theorie met een hoge mate van corroboratie kan in de eerst volgende toetsing weerlegd worden. Corroboratie zegt niets over het toekomstige succes van de theorie. Popper toont zich zo een fallibilist. Hij gaat uit van de fundamentele feilbaarheid van kennis – ook van de schijnbaar meest zekere kennis.

2. Falsificatie is deductief. De weerlegging wordt niet afgeleid uit een waarneming (= inductief), maar volgt logisch dwingend (= deductief) uit het aanvaarden van de basiszin.

3. Het opstellen van een basiszin is een kwestie van een beslissing. We spreken af dat die en die gebeurtenissen een theorie zullen weerleggen.

4. Zo’n conventionalistische positie dreigt elke theorie immuun te maken tegen falsificatie. Popper geeft dit toe, maar stelt dat wetenschappers bij het aangeven van basiszinnen integer moeten zijn en conventionalistische trucs moeten vermijden: basiszinnen moeten zo algemeen mogelijk zijn (‘er bestaat een gekleurde zwaan’ niet ‘er bestaat een lila zwaan’); basiszinnen mogen niet achteraf geherinterpreteerd worden.

5. Strikt genomen is het volgens Popper niet mogelijk om uit een aantal theorieën de beste te kiezen. Toch gaf hij twee aanwijzingen om een bepaalde theorie de voorkeur te geven boven een andere:

–De theorie met een hogere corroboratiegraad verdient de voorkeur boven een theorie met een lagere.

–De theorie met een grotere empirische inhoud verdient de voorkeur boven een theorie met een kleinere. De empirische inhoud van een theorie is groter naarmate de klasse van potentiële falsificatoren groter is. Van de twee theorieën ‘alle zwanen zijn wit’ en ‘alle zwanen hebben een lichte kleur’ heeft de eerste theorie een grotere empirische inhoud omdat die allerlei potentiële falsificatoren heeft zoals ‘er bestaat een gele zwaan’, ‘er bestaat een beige zwaan’, ‘er bestaat een oranje zwaan’, ‘er bestaat een licht blauwe zwaan’, die de andere theorie niet heeft.

6) Let op het verschil in houding ten opzichte van wetenschap tussen de logisch-empiristen en Popper. Volgens de logisch-empiristen was wetenschap het zoeken naar empirische bevestiging van bestaande kennis met het doel universele of objectieve waarheid te ontdekken. Volgens Popper leidde verificatie slechts tot bevestiging van bestaande kennis; de logisch-empiristen vergaten dat kennis ergens moet beginnen met een gedurfde, nieuwe hypothese die niet op empirische waarneming steunt. Volgens hem was wetenschap een methode om zulke hypothesen te formuleren en te testen.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen