Menu

Item gefilterd op datum: december 2012

Intelligentie.

De twee meest gebruikte intelligentietests bij kinderen zijn de Stanford-Binet intelligentietest en de Wechsler Preschool and Primary Scale of Intelligence (WPPSI-III). De

Stanford-Binet test is de Amerikaanse versie van de originele Binet-Simon test, de eerst ontwikkelde intelligentietest. Deze test is geschikt voor kinderen vanaf twee jaar en meet het vloeiend redeneren, de kennis, het kwantitatief redeneren, visuo-ruimtelijke verwerking en het werkgeheugen. Sinds 2003 bevat deze test ook een non-verbale component. De WPPSI-III heeft aparte meetniveaus voor kinderen van 2,5 tot 4 jaar en kinderen van 4 tot 7 jaar. Deze test onderzoekt zowel verbaal als non-verbaal het vloeiend redeneren, het begrip en de expressie van taal en de verwerkingssnelheid.

Intelligentiequotiënt (IQ): geen vaststaand getal welke is aangeboren maar een meting van hoe goed een kind bepaalde taken kan doen in vergelijking met anderen van de zelfde leeftijd. De prestatie van een kind op een IQ-test wordt beïnvloed door omgevingsfactoren.

Volgens Vygotsky leren kinderen door het internaliseren van de resultaten uit interacties met volwassenen. Dit interactieve leren is het meest effectief waar het gaat om kinderen te helpen de zone van dichtbije ontwikkeling (ZPD) te doorkruisen. Hiermee wordt het gat bedoeld tussen wat een kind reeds kan en wat het nog net niet zelfstandig kan bereiken. De ZPD kan worden gemeten aan de hand van dynamische tests. Naar de theorie van Vygotsky wordt ook wel verwezen met het begrip scaffolding; zolang een kind een bepaalde vaardigheid nog niet in zijn geheel beheerst, fungeert de oduer als een soort van steiger van waar het kind zich verder kan ontwikkelen. Wanneer het kind zich dusdanig heeft ontwikkelt dat het de vaardigheid zelfstandig kan uitvoeren is de steiger niet langer nodig. taalontwikkeling. de woordenschat van kinderen breidt zich snel uit vanaf de leeftijd van drie jaar. Zij zijn steeds beter in staat de betekenis van woorden te achterhalen nadat zij het slecht één of twee keer hebben gehoord. Dit wordt aangeduid als fast mapping. Ook het grammaticale begrip ontwikkeld zich steeds meer vanaf de leeftijd van drie jaar. Tegen de tijd dat een kind vijf á zeven jaar is, is de manier van praten te vergelijkjen met die van volwassenen. Pragmatisme: de praktische kennis over het gebruik van taal als communicatiemiddel.

Hiermee ontwikkelt zich ook de sociale spraak.

privé spraak: het tegen zichzelf praten zonder de intentie te communiceren met anderen, komt vaak voor tijdens de kindertijd. Piaget zag privé spraak als een teken van cognitieve onvolwassenheid. Vygotsky daarentegen zag privé spraak als een speciale vorm van communicatie, namelijk de conversatie met zichzelf. emergent literacy: de ontwikkeling van vaardigheden die nodig zijn voor het kunnen lezen en schrijven. Deze kan in twee types verdeeld worden: 1) monderlinge taalvaardigheden en 2) specifieke fonologische vaardigheden. Sociale interactie is een belangrijke factor om dit te bereiken (voorlezen, educatieve televisie).

Lees meer...

Sociale interactiemodel

gaat ervan uit dat kinderen in samenwerking met ouders of andere volwassenen hun autobiografische herinneringen vormen wanneer zij hierover praten. Dit model is afgeleid van de socioculturele theorie van Vygotsky.

Lees meer...

autobiografisch geheugen

dit zijn de herinneringen die iemands levensgeschiedenis opmaken. Deze herinneringen zijn specifiek en langdurend en ontwikkelt zich rond het derde a vierde levensjaar.

De tijd dat een herinnering in het geheugen van een kind blijft is afhankelijk van meerde factoren. Ten eerste de uniekheid van een gebeurtenis, ten tweede de actieve betrokkenheid van het kind. Als laatste is het van belang dat de ouders van het kind over de gebeurtenis praten.

Lees meer...

episodisch geheugen

hierbij gaat het om de vaardigheid een bepaald incident te kunnen herinneren, welke zich op een specifieke tijd en plaats heeft afgespeeld. Bij jonge kinderen duurt deze herinnering kort en verdwijnt indien het niet vaak wordt herhaald.

Lees meer...

algemeen geheugen

dit ontwikkelt zich rond de leeftijd van twee jaar en produceert een script voor herkenbare, steeds terugkerende gebeurtenissen zonder details over tijd en plaats (bijv. fietsen).

Lees meer...

lange termijngeheugen

een opslagplaats met een ongelimiteerde capaciteit waar informatie voor langere tijd wordt vastgehouden. Het centrale uitvoeringssysteem zorgt voor een overgang van het werkgeheugen naar het lange termijngeheugen.

Lees meer...

werkgeheugen

hierin wordt informatie actief vastgehouden, klaar om direct gebruikt te worden. Deze structuur ontwikkelt zich langzamer dan de andere structuren. De gorie van het werkgeheugen creëert de mogelijkheid voor de ontwikkeling van de executieve functies.

Lees meer...

ontwikkeling van het geheugen.

uit onderzoek is gebleken dat het geheugen van jonge kinderen minder goed is dan dat van oudere kinderen. Aanhangers van de informatieverwerkingsbenadering zien het geheugen als een opbergsysteem dat bestaat uit drie verschillende stappen:


1. Encoderen: dit is te vergelijken met informatie dat in een folder wordt gestopt om zo te worden opgeslagen in het geheugen.
2. Opslag: de folder wordt weggestopt in de archiefkast van de hersenen.
3. Terughalen: de informatie wordt uit de archiefkast opgehaald wanneer deze nodig is.

Lees meer...

Theory of mind.

Piaget was één van de eerste die de aanwezigheid van een theory of mind (ToM), het besef dat iedereen eigen gedachten en daarbij intenties heeft, bij jongere kinderen onderzocht. Op basis van zijn onderzoeksmethoden concludeerde hij dat kinderen onder de leeftijd van zes geen onderscheid kunnen maken tussen gedachten en dromen en werkelijkheid en fantasie en geen ToM bezitten. Later onderzoek heeft uitgewezen dat kinderen van drie wel degelijk kenmerken van een ToM bezitten. In de leeftijd van drie tot vijf jaar komen kinderen tot de ontdekking dat denken zich afspeelt binnen in het hoofd. Jonge kinderen hebben de illusie dat mentale activiteit vanzelf start en stopt en zijn zich er nog niet van bewust dat dit een continu proces is. Jonge kinderen zijn zich er niet van bewust dat andere mensen in woorden denken, en zij hebben de overtuiging dat zij zelf kunnen bepalen wat ze dromen.

Sociale cognitie: het besef dat andere mensen een mentale gemoedstoestand hebben, is een menselijke capaciteit waarmee wij ons onderscheiden van andere diersoorten. Hierdoor neemt het egocentrisme af en kan de ontwikkeling van empathie op gang komen. (kinderen van vier jaar beginnen zich te beseffen dat mensen verschillende overtuigingen over de wereld hebben en dat deze overtuigingen van invloed zijn op hun handelen).

Kinderen van drie jaar denken vanuit zichzelf en gaan er dan ook vanuit dat andere mensen hetzelfde weten als zij (egocentrisme). Pas op vier á vijf jarige leeftijd ontwikkelt een kind de theory of mind (false belief task -> balletje verstoppen en verplaatsen, waar gaat hij zoeken?). Met de ontwikkeling van de ToM beginnen kinderen ook meer te liegen (voor de leeftijd van vier weten ze niet dat een ouder niet in hun hoofd kan kijken).

Onderzoek van Wellman en Liu liet zien dat de ontwikkeling van de ToM in verschillende stappen verloopt. Kinderen beseffen zich eerst dat mensen verschillende verlagnens kunnen hebben met betrekking tot een bepaald object, pas daarna kunnen zij zich ook realiseren dat mensen verschillende overtuigingen kunnen hebben met betrekking tot dat object. Hierop volgend komt het besef van valse overtuigingen, gevolgd door het kunnen onderscheiden van valse en echte emoties. Individuele verschillen kunnen veroorzaakt worden door verschillen in sociale competentie en taalontwikkeling.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen