Menu

Item gefilterd op datum: januari 2014

de economische crisis van de jaren dertig: naar economische regulering

-In oktober 1929 crasht de beurs van Wall Street, na een periode van hoogconjunctuur. Treft VS en Europa.

-1931: de crisis is goed voelbaar. De productie loopt terug en de werkloosheid stijgt. Ze wordt bestreden met deflatiepolitiek. Er wordt op overheidsuitgaven bespaart, de productiekosten (o.a. lonen) worden verlaagd om opnieuw concurrentiële te worden. De deflatie politiek is echter geen succes: werkloosheid houdt aan en de economie herneemt niet.

-ook het financiële systeem is in crisis: socialistische bank van den Arbeid en middenkredietkas van de Boerenbond komen in moeilijkheden. Ze dreigen het geld van de spaarders te verliezen (het spaargeld is geïmmobiliseerd om de industrie te financieren) Staat komt tussen.

- De financieel-economische crisis wordt ook een sociale crisis: hoge werkloosheid, dalende lonen en achteruitgang van koopkracht

Lees meer...

collectieve arbeidersovereenkomsten en de index

In de paritaire comités werden collectieve arbeidersovereenkomsten afgesloten, waarin afspraken werden gemaakt over minimumloon, die in beginsel golden voor alle werknemers in het werkingsgebied van het paritair comité, vaak een hele sector.

In de cao’s werden indexclausules ingeschreven: de lonen werden gekoppeld aan de evolutie van de index van de kleinhandelsprijzen. Wanneer die met een bepaald percentage steeg,werden de lonen aangepast.

De indexmechanisme hield verband met de inflatie, die samen met de eerste wereldoorlog de kop opstak. De munt ontwaardde en de prijzen stegen.

Keerzijde van de medaille was dat de vakbonden accepteerden dat de lonen ook automatisch verlaagd werden wanneer de index van de kleinhandelsprijzen daalde.

Toch spanden de vakbonden zich in om de arbeiders het mechanisme te doen aanvaarden omdat de index en het overleg voor hen een strategisch belang hadden.

Overleg was met andere woorden moeilijk verenigbaar met de concurrentiestrategie van de Belgische ondernemers: de reden waren ideologisch en economisch. Ideologisch hielden de werkgevers vast aan het principe dat ze enkel wensten te onderhandelen met de arbeiders van het eigen bedrijf. Economisch: Belgische economie exportgericht. Concurrentie was gebaseerd op lage prijzen. Om concurrentieel te blijven moesten de prijzen de internationale cojunctuur volgen, wat betekent dat de prijzen in crisisperiodes moesten kunnen verlaagd worden. Het overleg vormde daarvoor een hinderpaal: liet niet toe de lonen te laten fluctueren in functie van de prijzen op de wereldmarkt

Nationaal crisisfonds:1920

1924 werd pensioen verplicht voor de arbeiders.

1930 kinderbijslag voor werknemers verplicht

Lees meer...

Van sociale onrust naar sociaal overleg

Zie pag 154 voor tabel over stakingsevolutie

Veel stakingen want men wou na 1918 een arbeidsduurvermindering

De vakbonden zagen veel nieuwe leden toestromen. De vakbeweging was een massabeweging geworden en trachtte de stakingsgolf te gebruiken om de erkenning als gesprekspartner van de werknemers bij de patroons af te dwingen.

In 1919 werd door de regering een overleg opgericht om de sociale conflicten op te lossen: paritair comité. Het bestond uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van de werknemers en de werkgevers

Lees meer...

algemeen mannenstemrecht

1919: enkelvoudig stemrecht

Tussen 1919 en 1921 werd de Belgische samenleving gedemocratiseerd zowel politiek als sociaal.

In Belgie verwierf de georganiseerde arbeidersbeweging politieke en institutionele erkenningeconomische gevolgen

Door het enkelvoudig stemrecht kreeg de arbeidersbeweging reële politieke macht in het parlement.

1 enkele politieke partij kon niet meer genoeg stemmen vergaren voor een absolute meerderheidcoalitieregering

Lees meer...

Sociale wetgeving: een politiek strijdpunt

de sociale kwestie werd niet alleen een strijdpunt, omdat de ondernemers en de arbeidersbeweging er andere opvattingen over hadden, de eis voor sociale bescherming viel in de tijd samen en werd gekoppeld aan de eis voor algemeen stemrecht.

belangrijk om electoraal aantrekkelijk te zijn voor de arbeiders

Er werd begonnen met de uitbouw van een eigen katholieke arbeidersbeweging.

1904: Algemeen Secretariaat voor Christelijke Beroepsverenigingen van Belgie1912: de organisatie werd verder uitgebouwd tot Algemeen Christelijk Vakverbond van Belgie

Ook voor de boeren werden specifieke katholieke organisaties opgericht: de boerenbonden. Hier stonden eigendomsverwerving en sociale samenwerking centraal bedoeling was om de landbouw in Vlaanderen leefbaar te houden, al dan niet in combinatie met fabrieksarbeid

Katholieke partij was aan de macht tussen 1884 en 1914…zo kon zij in grote mate een stempel drukken op de sociale politiek.

De katholieke opvatting verschilde van de socialistische, vooral op het vlak van de organisatie van de sociale politiek. Waar de socialisten de nadruk legden op de rol van de staat, benadrukten de katholieken de inbreng van de sociale organisaties.

De katholieken : sociale bescherming uitbouwen , rol van staat beperkte zich tot het subsidiëren van deze initiatieven.--> gesubsideerde vrijheid

De wet van de mutualiteiten (1894)was op die leest geschoeid. Ziekteverzekering was niet verplicht, maar was gebaseerd op een netwerk van mutualiteiten met vrijwillige aansluiting. Deze mutualiteiten worden door de staat gesubsidieerd. Mutualiteiten zijn lokaal georganiseerd, maar de subsidieregeling moedigde de vorming van overkoepelende structuren aan.

Voor de werkloosheidsverzekering bestond een dergelijke regeling niet. Werkloosheid was nochtans ook een sociaal probleem.

Werkloosheidskassen waren een dienst die de vakbonden aanboden maar de werkloosheidsverzekering op dezelfde manier organiseren zoals de mutualiteiten was politiek ongewenst, omdat de ontwikkeling van de vakbonden dan zou gestimuleerd worden

Steden speelden hier ook een rol in. Bv .in gent werd er een systeem van werkloosheidsverzekering op basis van werklozenkassen van de vakbonden georganiseerd

Louis Varlez: belangrijke rol in de internationale arbeidersorganisatie. Was geen conservatief persoon maar een vooruitstrevend liberaal.

Heeft studies gepubliceerd over de lonen in Gent. Hij zag dat werkloosheid inherent was aan de werking van het kapitalisme en geen morele kwestie was.

Arbeidersongevallenverzekering(1903): wou je als slachtoffer aanspraak maken op een vergoeding, dan moest hij of zij, conform het burgerlijk wetboek bewijzen dat hij of zij schade had geledenbijzonder moeilijk

Nu: schuldvraag wordt niet meer gesteld. Een arbeidsongeval is de schuld van het toeval

Op de vooravond van de eerste wereldoorlog speelde de staat een actievere rol in het sociale leven, waarbij een centrale rol was weggelegd voor de organisaties van de arbeidersbeweging

1 terrein dat de werkgevers nog steeds als het hunne beschouwen: de loonvorming

Lees meer...

De arbeidersbeweging.

1885: oprichting Belgische werkliedenpartij: ambitie om de hele Belgische arbeidersklasse te organiseren en voor hen op te komen.

1919: algemeen enkelvoudig stemrecht

De bwp was niet alleen een politieke partij, maar een conglomeraat van organisaties waarvan de partij de spil vormde. Vakbonden, mutualiteiten en coöperatieven vormden de ruggengraat.

-vakbond: kwam op voor betere lonen en arbeidsvoorwaarden

-coöperatieven: bv. De vooruit boden hun leden consumptiegoederen aan voordelige prijzen.

-mutualiteit: zij betaalden ziektekosten en geneesmiddelen en de leden konden tegen voordelig tarief ene beroep doen op een geneesheer.

1898: oprichting van de syndicale commissie.

De staking van 1886 leidde ertoe dat de staat zich ging buigen over het lot van de arbeider. zo kwamen er in 1878 sociale wetten: ze hadden betrekking op het loon: zo werd het trucksysteem (deel van loon werd in natura betaald) en de verplichte winkelnering (arbeiders werden verplicht een deel van het loon te besteden in handelszaken gedreven door hun werkgever)afgeschaft

Rond eeuwwisseling werd die wetgeving nog verder uitgebreid met zondagsrust en de wet op de arbeidersovereenkomst voor de werklieden

Lees meer...

sociale kwestie tussen de globalisering en nationale regulering.

In 1870 kwam het kapitalisme in een crisis terecht sociale en politieke gevolgen

Gevolg 1: groeiende internationalisering van de economie.

Gevolg 2 : aangroei van het aantal bedrijven, maar ook concentratie van het kapitaal. Ondernemingen worden steeds groter en stellen steeds meer mensen tewerk. Grote families zoals solvay (zie vorige hoofdstukken) controleerde steeds meer bedrijven.

Gevolg 3: westerse landen gingen opzoek naar kolonies, die op hun beurt nieuwe expansiemogelijkheden boden.

De internationalisering wordt mogelijk gemaakt door een monetair eenmakingsproces. Goudstandaard was het instrument en de nationale banken de agenten.

Prijsstabiliteit en het behoud van de waarde van de munt staan centraal.

Crisissen werden betaald met prijsdaling, en omdat het productieproces arbeidsintensief was, kwamen de lonen direct in het vizier.

De grote staking van 1886, een reactie op de sociale ellende die het gevolg was van de economische crisis, toonde aan dat het sociale problemen reel waren en een politiek antwoord vroegen sociale kwestie, die in de negentiende eeuw de politieke agenda in Belgie en andere industrielanden zou beheersen.

De sociale problemen werden gepolitariseerd door de socialistische arbeidersbeweging op het einde van de negentiende eeuw.

Lees meer...

het kapitalisme van de vrije concurrentie

Deze reguleringswijze bestrijkt een groot deel van de negentiende eeuw. Een vrije markt kwam niet spontaan tot stand maar door een reeks politieke ingrepen.

Maakbaarheid: de staat creëerde een aantal instituties en infrastructuren die de basis vormden van de economische ontwikkeling.

1voorwaarde voor vrije markt: goederen moeten over grote afstanden circulerengoede verkeerinfrastructuur nodig: spoorwegnet in 1835 in Belgie

De staat zorgde voor een juridische omkadering voor de ondernemers: Naamloze vennootschap laat toe grote kapitalen bijeen te brengen, nodig voor grootschalige investeringen in de steenkoolmijnen.

In 1832 richtte koning willem 1 de algemene maatschappij ter bevordering van de volksvlijt  Société Générale, belangrijke rol in de eerste industriële revolutie. Zou haar stempel drukken in de Belgische economie van de negentiende en een flink stuk van de twintigste eeuw.

-was staatskassier en mocht bankbiljetten uitgeven. Had tevens een netwerk van spaarkassen(dient om geld aan de kant te zetten waarop ze konden terugvallen wanneer het hen materieel minder voor de wind ging). Het geld werd opgehaald bij de spaarders en werd geïnvesteerd in de ondernemingen waarin de Société Générale belangen had. Dit leidde tot problemen bij economische en politieke crisissen. Velen kwamen hun geld ophalen, maar de Société generale kon dit geld niet teruggeven want ze hadden het geïnvesteerd in hun ondernemingen.

De staat moest de Société generale tweemaal ter hulp komen wegens ondeskundigheid

Dus: oprichting in 1850 van de nationale bank van Belgiëhad privaat publiek bestand (Société generale was volledig privaat)

Gaf voortaan de bankbiljetten uit.

1865 oprichting van de algemene spaar en lijfrentekas: publieke spaarkas

5 jaar eerder werd het gemeentekrediet gesticht: deze openbare kredietinstelling moest de lokale besturen financieren.

Creatie van een vrije markt heeft ook een sociaal luik.

In het anciene regime werd het economisch leven sterk gereglementeerd door coöperatieve structuren.

Negentiende eeuw: afschaffen van die coöperatieve structuren door de decreten d’Allarde en Le Chapelier—> schaften de gilden en ambachten af en verbood er nieuwe op te richten. Deze verboden ook coalities van werkgevers en werknemers om de lonen te beïnvloeden.

De coöperatieve structuren boden ook sociale bescherming: kregen steun als er bv iemand overleed. Dit fenomeen (sociale bescherming) verdween samen met de opheffing van de coöperaties.

Lees meer...

regulering enkele basisbegrippen

- citaat van Rober Boyer: Le capitalisme n’est pas le tout marche. Hier geeft hij aan dat het kapitalisme niet kan gereduceerd worden tot de markt. Om het kapitalisme te laten functioneren en crisissen, die inherent zijn aan de ontwikkeling ervan te overwinnen, zijn instellingen en structuren nodig buiten de markt.

Vb: de hoogte van een loon wordt niet bepaald door de markt (vraag en aanbod), maar door bv . collectieve arbeidsovereenkomsten.

-sociale zekerheid: wordt door de staat georganiseerd, beheerd door de sociale gesprekspartners die instaan voor de betaling van de vergoedingen.

-martkmeester, kartelwaakhonden: iemand die erop toeziet van de naleving van de concurrentieregels.

-De grondvariabelen van de regulation school:

- het monetaire regime

- de loonarbeidsverhoudingen

-concurrentievormen

- vorm van de staat

- inschakeling van de economie in het internationale systeem

De opeenvolgende reguleringswijzen volgens de Régulation school:

  1. Concurrentiële regulering (tweede helft negentiende eeuw)
  2. De lange transformatie van het interbellum
  3. Fordistische regulering
  4. Het postfordisme

Een reguleringswijze is dat de institutionele vormen een onderlinge samenhang vormen.

Hieronder bespreken we de reguleringswijzen

Lees meer...

Reguleren, op het snijvlak van politiek en economie

Financiële crisis kan enkel het hoofd geboden worden door tussenkomst van de overheid.

Eerst gaan we een aantal begrippen verduidelijken om de verhouding duidelijk te zien tussen politiek en economie. We maken hiervoor gebruik van de inzichten van de franse regulation school die sinds de jaren 70 deze verhouding onderzocht.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen