Menu

Item gefilterd op datum: januari 2014

Behoeften

De economische behoeften zijn de verlangens van de mens waaraan kan voldaan worden met het inzetten van schaarse middelen (goederen).

De meeste economen nemen aan dat de behoefte van een volkshuishouding vrijwel onbegrensd is. Zodra de primaire behoeften zijn voldaan groeit de vraag naar secundaire behoeften net als de vraag naar differentiatie.

We mogen behoefte niet gelijkstellen aan het goed. Een goed kan een behoefte volledig of slechts gedeeltelijk voldoen. We hebben bv. Een behoefte aan mobiliteit en het goed kan dan een auto zijn, waardoor deze behoefte vervuld wordt.

Neo-klassieke opvattingen:

  • De diensten geleverd door een goed worden uitgedrukt per tijdseenheid. (de levensduur van het product)
  • Van de meeste goederen bestaan er substituten, dus goederen die de behoefte op een andere manier vervullen. Bv. Mobiliteit kan ook vervuld worden met een scooter i.p.v. een auto.

Goederen die op dezelfde manier de behoefte vervullen zijn perfecte substituten bv. Chartaal en giraal geld.

  • De appreciatie van nut van goederen is subjectief. Bv. Een statussymbool van een product is volledig subjectief.

Een econoom laat zijn subjectieve oordelen aan de zijkant en ziet de preferenties van personen als een gegeven, waardoor zijn analyse neutraal is.

Bv. Een econoom maakt geen verschil tussen de analyse van drugs en die van babyproducten. (geen rekening met ethisch karakter)

Economen uit andere leerscholen vinden dat de waarde van goederen en behoeften moet bepaald worden door de gemeenschap. Zij eisen overheidscontrole op de producten. Dit zorgt voor aantasting van de consumentensouvereiniteit en een naïef geloof in de werking van democratische besluitvorming. (verschil valse en echte behoeften ?)

De nuttigheid is het vermogen van goederen en diensten om in een behoefte direct of indirect te voorzien (subjectief). Voor de econoom ontstaat er nuttigheid wanneer er vraag is naar goederen en diensten.

Men spreekt van nut wanneer de econoom doelt op de consumptie door een bepaalde persoon in een bepaalde omstandigheid.

Nuttigheid is de algemene eigenschap van het goed, en nut is het resultaat van de consumptie van het goed.

De welvaart is de mate waarin de behoeften (zowel materieel als immaterieel) in schaarse middelen van een bepaalde regio, land, persoon of groep personen wordt voldaan.

Het welzijn heeft een ruimer karakter en impliceert de bevrediging van verlangens.

Lees meer...

Wat is economie?

Adam Smith wordt algemeen beschouw als de grondlegger van de economische wetenschap en als centrale figuur van de klassieke school. Tevens is hij de vader van het economisch liberalisme. In zijn “Theory of royal sentiments” vergelijkt hij de wereld met de economie. Hij zegt dat in beiden een ‘onzichtbare hand’ zorgt voor de coördinatie tussen het streven naar eigen belang en het algemene welzijn. Voor een optimale economische ontwikkeling zijn lage belastingen, vrede en rechtszekerheid nodig. Door de fellow-feeling (empathie) wordt het egoïsme geremd.

Zijn eerste volwaardig economisch boek is “An inquiry into the nature and causes of the wealth of nations”. Zijn pleidooi voor vrijhandel druist in tegen het mercantilisme en zijn voorkeur voor het ambachtswezen, handel en industrie tegen de fysiocratie. Hij formuleert tevens zijn eigen waardetheorie (onderscheid gebruikswaarde en ruilwaarde) maar is niet in staat de waardeparadox (diamant heeft een grotere ruilwaarde maar toch is de gebruikswaarde kleiner als die van water) te verklaren omdat hij het marginaliteitsprincipe nog niet kent en enkel de arbeid als waarde-bepalende factor ziet. Voor hem zijn specialisatie en ruil de voorwaarden voor economische groei. Tevens formuleert hij de voordelen van de arbeidsverdeling.

Volgens Smith wordt de welvaart van een land bepaald aan de hand van de “national health” (het nationaal inkomen). Hij beschouwt wel enkel materiële goederen als bron van welvaart. Diensten bestempelt hij als onproductief maar wel positief aangezien deze niet toelaten via investeringen de groei te stimuleren. Deze uitspraak wordt later door Marxisten overgenomen.

Volgens Smith moet de staat zich enkel zorgen maken over justitie, defensie, binnenlands orde en collectieve goederen. Hij is enkel voorstander van een taxatie van het grondbezit en weeldebelasting (draagkrachtprincipe). Smith is vervolgens tegen overheidsleningen en pleit voor het betalen van ambtenaren naar hun prestaties. Tevens wil hij voor enkele overheidsdiensten (bruggen, kanalen,…) prijzen vragen.

Er is in die tijd wantrouwen in de overheid doordat er veel corruptie heerste. Hij vond dat de arbeiders gediscrimineerd werden in de loononderhandelingen en dat prijsafspraken tussen producenten enkel nefaste gevolgen had.

De economisten uit deze generatie stelt men als van de klassieke leer. Zij beschouwden enkel materiële rijkdom om hun wetenschap af te bakenen. Later verruimden ze hun visie (neo-klassieke leer) door rekening te houden met dienstverleningen omdat in principe alle materiële goederen dienstig zijn voor de menselijke behoeftebevrediging. Ze stellen dus voor het eerst dat niet-materiële goederen ook een waarde kunnen hebben.

Later doet men een poging om marktprocessen te verklaren. Goederen en diensten werden als economisch waardevol beschouwd als wanneer men deze kon ruilen. Hoewel voor de Tweede Wereldoorlog economie als een afgezonderd domein van de werkelijkheid, werd na WOII die gedachte teniet gedaan en werd de economie beschouwd als sociale wetenschap: het handelen van de mens in groepsverband in situaties van schaarste. Naar de definitie van Robbins: “The science which studies human behavior as a relationship between ends and scarce means which have alternative uses”.

De economische wetenschap bestudeert:

  • hoe mensen individueel of in groep met deze schaarste omgaan;
  • hoe ze er zo rationeel mogelijk mee omgaan;
  • welke instituties er in de maatschappij zijn ontstaan om die schaarsteproblematiek te verhelpen.

Deze schaarste ontstaat doordat mensen geconfronteerd worden met een beperkte hoeveelheid middelen, die evenwel alternatief aanwendbaar zijn, en meerdere aanwendingen van deze middelen. Er zijn dus meerdere doeleinden voor een beperkt aantal middelen. Economisch problemen zijn keuzeproblemen.

De economist moet dus een keuze maken waarvoor hij zijn middelen aanwendt. Als hij zijn middelen in een doel investeert wordt er aan die behoefte voldaan, maar tevens kan hij zijn middelen niet meer investeren in iets anders (opportuniteitskost). De opportuniteitskost is dus de waarde van het belangrijkste alternatieve doel, dat niet meer realiseerbaar is aangezien de middelen zijn aangewend voor de realisatie van deze keuze.

Niet alle economen zijn het hiermee eens. Buchanan stelt dat economie het oplossen van conflicten tussen individuen is door middel van ruiltransacties. Sommige economen stellen dus: “economists are what economists do”. Anderen gaan zich eerder baseren op de onderzoeksmethode in plaats van op het onderzoekdomein.

Het oplossen van het economisch probleem (economisch motief) realiseert men wanneer men schaarse middelen combineert om er goederen en diensten mee te realiseren en er zo productie ontstaat. Besteden is het aanwenden van de producten voor het vervullen van de eigen behoeften. Sommige goederen kunnen ook grondstoffen zijn van een beperkt huishoudelijk productieproces, die het eigenlijke gebruik voorafgaat door invoer van andere productiemiddelen (bv. Arbeidstijd,…)

Hieruit vloeit het economisch motief van de rationele mens: het zo goed mogelijk aan de doeleinden met de beschikbare middelen voldoen in volgorde van urgentie.

Economische of allocatieve efficiëntie is wanneer men er rekening mee houdt dat wanneer een product gedeeltelijk gerealiseerd is, de urgentie ervan afneemt.

Technische efficiëntie is het produceren van een product met zo weinig mogelijk middelen. (Economische efficiëntie omvat de technische efficiëntie.)

De micro-economie bestudeert het economisch keuzeprobleem vanuit het oogpunt van een bepaalde huishouding (bv. Een gezin) of een bepaald goed (bv. Prijsvorming grond).

De macro-economie is de analyse van de samenvoeging van micro-economische gegevens ontstane data (bv. Werkloosheid).

De meso-economie is de bedrijfs-, sectorale of regionale analyse.

Micro- en macro-economie interfereren constant met elkaar.

Lees meer...

Crisis en neoliberalisme: naar het postfordisme?

De crisis die inzet in 1973, stelt het systeem van de arbeidsverhoudingen dat fungeert volgens de principes van het fordisme en de op het Keynesianisme gebaseerde economische politiek op de proef.

  • Aan de eco groei, die basis zorgt voor de stijging van de reële lonen komt een einde.
  • De crisis leidt tot de sluiting van talrijke bedrijven, wat de werkloosheid de hoogte in jaagt. (van volledige tewerkstelling in de jaren zestig tot 7.5% van de beroepsbevolking)
  • De werkloosheid zet het systeem van SZ en staatsfinanciën onder druk.
  • Overheid creert tewerkstelling in overheidsdiensten.
  • Er komen begrotingstekorten en staatschuld loopt op.
  • Er is voortdurende hoge en aanhoudende inflatie

Het overleg raakt in het slop: in 1975 komt een einde aan de traditie van interprofessionele akkoorden. Het vlaams economisch verbond, de CVP en jonge liberalen pleiten voor een nieuw beleid: de markt moet meer armslag krijgen en de staat moet minder tussenkomen in de economie, zich er zelfs geheel uit terugtrekken = neoliberalisme

Het neoliberalisme is de tegenpool van het Keynesianisme: de staat heeft niet als taak de economie te sturen of te stimuleren. De eco moet aan de markt worden overgelaten. Dit betekent:

  • Deregulering: het afbouwen van regelgeving die de marktwerking hindert
  • Privatiseren: overheidsbedrijven moeten worden overgelaten aan de private sector.

- Gevolg is een ontlasting van overheidsfinanciën.

  • budgettaire orthodoxie: begrotingen moeten in evenwicht zijn, de overheidsuitgaven moeten worden beperkt zodat de belastingen kunnen dalen en burgers zelf over een groter deel van hun inkomen kunnen beschikken.
  • Ook het overlegsysteem wordt in vraag gesteld.

In de praktijk was het neoliberale beleid niet vrij van paradoxen.

  • Overleg: geen terugtrekking van de overheid, de staat had nog steeds een permanente rol. Het overleg werd echter wel stil gelegd tussen 1982-1986. Rechtbanken losten stakingen op, op verzoek van werkgevers. Dit is een nieuw terrein voor de overheid.
  • 1986 kwam het overleg weer op gang en werd er een nieuw interprofessioneel akkoord afgesloten. Aan de tussenkomst van de staat kwam echter GEEN einde.
  • De overheid gaf zichzelf de rol om over de concurrentiekracht van de Belgische economie te waken. Dit gebeurde met de wet van 89 die de staat toelaat in de loonvorming tussen te komen, indien die de belg ecnomie bedreigen. Dit is een correctie ex post
  • In 1996 kwam er een ex ante: De centrale raad voor het bedrijfsleven krijgt de opdracht om voorafgaand aan overleg, de marge voor loonsverhogingen te berekenen.
  • Competitiviteit nam de plaats in van de productiviteit van het fordisme

Dit impliceert de primauteit van het economische op het sociale wat weerspiegeld wordt in het toegenomen belang van de economische overlegorganen, met name de centrale raad vr het bedrijfsleven.

De dominantie van de comp kan niet enkel verklaard worden door het neoliberalisme, maar is ook het gevolg van de globalisering van de economie, die zich toen ontplooide.

  • Financiele markten werden geliberaliseerd
  • Ondernemingen worden meer en meer blootgesteld aan internationale concurrentie
  • Multinationale ondernemingen stijgen
  • Ook bedrijven van België richten filialen elders op
  • Nationale staten verliezen meer en meer greep op de economische politiek of staan het af aan het Europees niveau: Euro, Europese centrale bank,…
  • De lonen worden aangepast aan de internationale conjunctuur, waarbij het erom gaat de concurrentiekracht van een bepaalde staat of regio op peil te houden. Hoe de stijgingen van lonen gaan, verschilt land per land en daarbij hebben de vakbonden wel nog een rol.

ook sociale zekerheid wordt in de politiek van competitiviteitsbewaking ingeschakeld op drie manieren.

  • SZ wordt voor een groot deel gefinancierd met een heffing op longen. De bijdragen zijn een deel van de loonkost. Die bijdragen verminderen is een mogelijkheid om de loonkost te drukken zonder het nettoloon aan te raken.
  • Werkloosheidsuitkeringen hebben een negatieve invloed op de arbeidsmarkt omdat ze een rem zouden zijn om laagbetaalde jobs aan te nemen. Op die manier raakt de werkloosheid moeilijk opgelost. Daarom dalen deze uitkeringen.
  • De SZ wordt beheert door de staat. In de neoliberale visie is de privésector efficiënter om dergelijke diensten te organiseren. Daarom pleit men om een deel van de SZ te privatiseren of om slechts een basispakket aan te bieden en de burger de kans geven om zich op individuele basis bij een private maatsch te verzekeren.

Deze tendens naar privatisingen vinden we ook terug bij overheidsbedrijven. De post, de RTT, …

Neoliberalisme pleit voor een terugtrekking van de staat, maar de staat blijft aanwezig. Ze neemt ander vormen aan. Vb: sociaal overleg (zie boven), privatiseringen van overheidsbedrijven en de strijd tegen monopolies, …

Lees meer...

Spontane stakingen: barsten in het Fordisme

In de late jaren 60 krijgt België, zoals de meeste Westerse industriestaten, te maken met grootschalige spontane stakingsgolf. Deze stakingen verschillen op een aantal punten van de klassieke stakingen.

- Het zijn spontane stakingen: vakbonden zijn er niet bij betrokken, vaak zijn de acties tegen vakbonden gericht.

- Klassieke stakingen zijn gaan om lonen en arbeidsvoorwaarden. Hier gaat het eerder om kwalitatieve eisen zoals de aard van het werk (steeds meer rationalisatie van arbeid, minder autonomie,

- Ze werden vooral gevoerd door groepen die aan de rand van het productieproces staan of het laagst staan in de hierarchie op de werkvloer: migranten vrouwen en jongeren.

De stakingsgolf zal leiden tot een verdere verfijning van het overlegsysteem, met name op bedrijfsniveau. De informatieverstrekking aan de overlegorganen over de werkgelegenheidsperspectieven en de eco en financiele resultaten van de ondernemingen worden uitgebreid. De syndicaal afgevaardigde krijgt een nieuw statuut en heeft meer mogelijkheden om de WN te informeren. De lonen stijgen sterk, vaak meer dan de

Lees meer...

Productiveit, het sluitstuk van fordisme

v

In de jaren 50 kwamen de structurele problemen van de Belgische economie aan de oppervlakte.

- Onder leiding van André Renard kloeg het ABVV de conservatieve rol van de Belgische holdings aan, dit leidde tot structurele eco problemen, vooral in Waalse steenkoolmijnen.

- Aan vlaamse zijde werd de structurele achterstand van de eco in vlaanderen: hoge werkloosheidscijfers, langdurige pendel en seizoensarbeid in Wallonie en Noord-frankrijk

In de loop van de jaren vijftig werd de sociaal-economische politiek gemoderniseerd om op deze problemen een antw te bieden.

1. Vakbonden en werkgevers startten informele onderhandelingen die uitmonden in de ‘gemeenschappelijke verklaring over de productiviteit”. (zie pag 176) De principes van het fordisme werden erin verwerkt: sociale vooruitgang en verhoging van de koopkracht van de WN kon alleen bereikt worden door een gestage verhoging van productiviteit.
2. De economische expansiewetten (1953, 1955, 1959) impliceren de financiele tegemoetkomingen door de overheid voorzin voor investeringen in bepaalde economisch achtergebleven gebieden. Deze wetten leggen de basis voor de industrialisering van Vlaanderen, vooral gedragen door Amerikaans en Duits kapitaal. Ze investeren in massaconsumptie gerichte sectoren zoals auto’s (ford-genk) en niet meer in de traditionele sectoren.
In Wallonie wordt er meer geïnvesteerd in de industriële infrastructuur en minder in de vestigingen van nieuwe bedrijven.

In de jaren 60 beleeft het overlegsysteem zijn hoogdagen. Het basisidee is dat de koopkracht van de werknemers periodiek moet stijgen om de consumptie op peil te houden. Dit kan alleen maar als de productiviteit ook stijgt.


- de instrumenten zijn de interprofessionele akkoorden die buiten de overlegorganen worden onderhandeld door vakbonden en werkgeversorg. Ook het minimumloon wordt hierin vastgelegd. De resultaten van deze akkoorden gelden als een minimum en zorgen ervoor dat alle werknemers in de privé-sector delen in de sociale vooruitgang.
- de sociale zekerheid is een tweede peiler om de consumptie op gang te houden. Nieuwe groepen worden in het stelsel opgenomen en de uitkeringen worden verhoogd.

De stakingsactiviteit neemt in de jaren zestig voor het eerst gevoelig af. In 1968 wordt het overlegsysteem institutioneel voltooid met de wet op cao’s en de paritaire commités. De cao krijgt een juridisch statuut en de mogelijkheid wordt voorzien om de ‘vredesplicht’ afdwingbaar te maken door het gebruik van een waarborgsom.

Lees meer...

het sociaal pact

- het sociaal pact bestaat uit drie delen

°1. De sociale zekerheid.
de sociale zekerheid zal gefinancierd worden door de bijdragen van werkgevers en –nemers, aangevuld met staatsubsudie. De bijdragen worden afgehouden van het loon en door de werkgever overgemaakt aan RMZ. De RMZ verdeelt het geld over versch takken van de sociale zekerheid.

2. maatregelen voor de periode onmiddellijk na de Bevrijding, met ondermeer een herstel van de koopkracht op het niveau van 10 mei 190, de datum van de duitse inval.

3. overleg
een herstel van de vooroorlogse paritaire comités en de uitbreiding van het principe van het paritair overleg tot alle niveaus van het overheidsbeleid. (gebaseerd op representativiteit)

Naast deze sociale hervormingen ligt in het SP ook een visie op de economie en de verhouding tussen WN’s en WG’s. de economie moet zorgen voor een nieuwe sociale maatschappelijke vooruitgang en voordelen van een stijgende productie moeten rechtvaardig verdeeld worden tussen kapitaal en arbeid.
WG’s moeten het bestaan van vakbonden erkennen, maar WN’s moeten het wettig gezag van ‘hoofden der ondernemingen’ eerbiedigen.

Het SP is het bewijs en het resultaat van een algemene consensus tuss WG en WN, die naar elkaar gegroeid waren door de ontberingen van de oorlog.

Het ‘nieuw sociaal pact’ in 1993

Van 1991 tot 1993 kende de Belgische economie een ernstige recessie. Dehaene riep de sociale partners op om een nieuw sociaal pact af te sluiten en afspraken te maken rond een nieuw sociaal model. Dit is een mooi voorbeeld van het gebruik van de geschiedenis om actuele politieke en maatsch doelstellingen te bereiken.
Een nieuw pact kwam er niet, de regering voerde zelf maatregelen door in het zogenaamde ‘globaal plan’. De vakbonden organiseerden in november 93 een algemene staking. (alg stakingen: 1886,1936,1993)

Het innoverende karakter van het pact behoeft nuancering

1. de soc zekerheid is het meest vernieuwend vanwege de invoering van de verplichting (was in de jaren dertig nog een struikelblok). Bovendien wordt de soc zekerheid georganiseerd door de staat. Nieuwe instellingen worden opgericht die de takken beheren (RVA,…). De WG heeft geen zicht op wat men met de verplichte bijdragen doet.

2. De techniek die men aanwent om de verplichting in de praktijk om te zetten is niet vernieuwend. Staatssubsidies, voorafname van het loon en de takken bestonden al. Het SP is een samenvatting van hetgeen sinds het einde van de negentiende eeuw was gegroeid.

3. Het deel over de arbeidsverhoudingen is ook niet echt vernieuwend. Wat werd voorgesteld was een hervatten van het vooroorlogse overleg. WEL werd het representatief monopolie van de grote vakbonden en werkgeversorg vastgelegd. Zo kunnen ze nieuwkomers zoals communistische vakbonden afweren én een engagement van de werkgevers om geen initiatieven meer te nemen om vakbonden te beconcurreren op eigen terrein.

Is het SP de uiting van een alg sociale consensus?

- het SP was niet het enige project voor een nieuwe sociaal-economisch systeem na de bevrijding. Er waren al andere die het niet gehaald hebben (model van de commissie voor studie van de naoorlogse problemen).

-Bovendien werd het soci pact niet gedragen door alle syndicale en patronale org. Bij de onderhandelingen waren slects fracties betrokken. Er was een oververtegenwoordiging van de socialistische familie en een ondervertegenwoordiger van ACV.

-aan de patronale zijde werd het pact gesteund door de modernistische fractie waarvan Léon Bekaert het boegbeeld was. Société générale en de patroons van de mijnsector waren niet aanwezig. Ze waren bang voor de grote sociale kost die de uitvoering met zich zou meebrengen, wat de concurrentiepositie van de Belgische industrie zou schaden.

-op de Nationale Arbeidscoferentie in 1944 kon het CCI het pact niet in zijn geheel aanvaarden, maar stemden wel in met een loonsverhoging van 60%.

Het feit dat het SP niet steunde op een algemene consensus verklaart de eerder trage besluitvorming rond de overlegstructuren.

  • -pas in 1952 werd de Nationale Arbeidsraad opgericht en het institutioneel kader van het overlegsysteem voltooid. Dit kwam omdat de vakbonden syndicale monopolie voor de vertegenwoordiging van de WN en het economisch-financieel informatierecht van de ondernemingsraad streefden.

- in 1948 werd hierover een akkoord bereikt: “wet houdende organisatie van het bedrijfsleven”. Deze wet creëert de ondernemingsraad, de sectorale bedrijfsraden en de inter-professionele centrale raad voor het bedrijfsleven.

De sociale zekerheid werd al op 28 december 1944 ingevoerd met een besluitwet. (regering, initiatiefnemer: Van Acker)

Naast het geïnstitutionaliseerd overleg speelde het niet-geinstitutionaliseerde overleg een belangrijke rol na de bevrijding. De regering had steun nodig voor haar sociale politiek en zocht daarbij steun van vakbonden en werkgeversorg.

  • De nationale arbeidsconferenties zijn hiervan het grootste voorbeeld.
  • Deze politiek, in combinatie met de monetaire sanering (gutt-operatie) een succes, maar het overleg was niet voldoende om sociale vrede te handhaven (stakingen)
  • 1945 mochten een aantal belangrijke sectoren niet meer staken
  • In 1948 werd deze maatregel vervangen door een regeling die vandaag nog steeds van kracht is: ‘ prestaties van het algemeen belang in de vredestijd’. Als er gestaakt wordt, moeten bepaalde essentiele taken toch nog uitgevoerd worden. Deze taken zijn vastgelegd door paritaire comités.

In 1952 was het institutioneel raamwerk voor het tweeledig overleg opgebouwd en was er een praktijk gegroeid van drieledig informeel overleg. (regering, vakb,werkgorg) de overlegstructuur was er, maar de overlegcultuur was er niet. Er was o.a. tegenkant van de steenkool-sector (p.174, tweede alinea).

Lees meer...

Een sociaal economische ‘nieuwe orde.

- door het nazisme kwam er een eind aan het economisch liberalisme: de economie werd ingeschakeld in de duitse oorlogsvoering en gestuurd dor de staat.

- in 1941 werd een stelsel van publiekrechtelijke bedrijfsorg ingevoerd: de ‘groepen’. Het zijn sectorale patronale eenheidsorg, met verplicht lidmaatschap. De org werden niet democratisch bestuurd, maar aan het hoofd stond een leider die besliste. Er is enkel verantwoordingsplicht aan zijn hierarchise overste.

- pag 165-166 vind ik eerder achtergrond info

- de besprekingen monden in paril 1944 uit in het sociaal pact.

Lees meer...

Oorlog, bezetting, bevrijding: naar de fundamenten van het fordisme

Na de tweede wereldoorlog werden in de USA en West-europa welvaartstaten uitgebouwd, met systemen van sociale zekerheid, sociaal overleg en volledige tewerkstelling.

  • De periode na de woII was dan er dan ook hoge eco groei, met stijging van koopkracht. Daardoor was er dus meer consumptie (vooral aan duurzame goederen: koelkasten auto’s,..)
  • Van de staat werd een sturende rol verwacht (keynes): volledige twerkstelling, vermijden van crisissen en het tegengaan van regionale verschillen
  • Eco ontwikkeling waren de centrale beleidsdoelen.
  • Dit zijn de kenmerken van het fordisme 1945-1973

Pag 164 staat er een mooi schema van de sociale zekerheid in België

Lees meer...

. regulering in de praktijk

- de staat heeft nu meer instrumenten om in de economie tussen te komen
 1935: grote bankhervorming. Holdings en banken werden gescheiden. Banken onder toezicht van Bankcommissie
1935: verplichte kartels zijn mogelijk gemaakt. Kartels die reeds afspraken hebben gemaakt mogen aan de overheid vragen om die aan alle prodocenten op te leggen. De overheid kan enkel de afspraken van de producenten verwerpen of aanvaarden, niet wijzigen.
 sociaal overleg werd verder geïnstitutionaliseerd. In 1936 brak er een staking uit. De regering trachtte het conflict te beeindigen door een nationale arbeidsconferentie bijeen te roepen. De conferentie besliste onder meer zes dagen betaalde vakantie, minimumloon, kinderbijslag te verhogen en de paritaire comités te veralgemenen.

 de massale werkloosheid bracht de verplichte werkloosheidsverzekering op de politieke agenda: wie zich niet vrijwillig had verzekerd kon geen aanspraak maken op een uitkering. Het dossier was politiek geblokkeerd door twee redenen:

- het systeem was verbonden en de invloed die een verplichte werkloosheidsverzekering zou hebben op de werking van de arbeidsmarkt
- wie mocht de werkloosheidsvergoeding uitkeren?

Lees meer...

regulering, inzet van politiek debat

Het primaat van de markt word in vraag gesteld en er is consensus over de noodzaak van meer regulering van de economie.

socialisten leggen het accent op de rol van de staat: Hendrik De Man (bwp) schrijft een werk die een antwoord bied op de crisis. (plan van den Arbeid)

‘Plan van den Arbeid’: De overheid heeft een sturende rol krijgen in de economie. Socialisten vinden de strijd tegen werkloosheid. (grootschalige programma’s van openbare werken, gefinancierd door de staat) Verder willen ze een verhoging van de koopkracht via een sociaal overlegsysteem. Daarvoor is echter een hervorming van het politieke systeem nodig. Regering en administratie moeten meer armslag krijgen en er is nood aan gespecialiseerde instellingen.

De katholieken pleiten voor corporatisme. Het is een alternatief voor de vrije markt (liberalisme). Economie moet gereguleerd worden, maar de staat mag niet ingrijpen. De belanghebbenden zelf moeten, via hun org, regels kunnen uitwerken. Maar om die regels bindend te maken is er staatsmacht nodig. De milde vorm gaat over een juridisch geheel geïnstitutionaliseerd sociaal overleg, de extremere versie krijgt elke sector één institutionele organisatie.

Verschil etatisme- corporatisme:
Een minimumloon vastgelegd door een overlegorgaan in een CAO bindend voor de betreffende partijen: corporatisme.
Een minimumloon uitgevaardigd door het parlement en is algemeen bindend: etatismea

Bedrijfsorganisatie

- Bedrijfsorg wordt gebruikt om het corporatisme aan te duiden, dat verenigbaar is met de parlementaire democratie en afstand te nemen van het corporatisme dat in fascistische regimes zoals italie bestaat.

- =Veralgemening en institutionalisering van het sociaal overleg, aangevuld met sectorale economische raden en een nationale economische raad die een adviserende of beslissingsbevoegdheid kan hebben.

- Soc en kath nemen voortouw

- Aan de basis van het stelsel liggen vakbonden en werkgeversorg (met rechtspers). Op die manier kan CAO bindend gemaakt worden en worden vakbonden aansprakelijk bij schade door een staking.

- Vredesplicht: tijdens de looptijd van een cao mag niet gestaakt worden om eisen in te willigen waarover in de cao een akkoord is bereikt.

Schema op pag161

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen