Menu

Item gefilterd op datum: januari 2014

Centrale drijfveer in de economie

 Het algemeen of het individueel belang.

Wanneer dit het algemeen belang is (ook individuele beslissingen maar vanuit een ander mechanisme)  socialisme

Wanneer dit het individueel belang is  liberalisme

 meer vanuit een politiek standpunt

Socialisme in het westen:

  • rechtvaardige inkomens en vermogensverdeling
  • uitgebreid net van collectieve voorzieningen
  • uitbouw sociale zekerheid
  • voorkeur voor regelgeving in de maatschappij
  • (soms collectivisering productiemiddelen)

Liberalisme:

  • creatie van eigendomsrechten en markten ervoor dat het nastreven van private belangen door de ene burger niet ten koste gaat van die van de andere.
  • Grotere aandacht voor economische efficiëntie
  • Sociaal: verschillende aard van mensen  verschillende inkomens en vermogens.
  • Vrijheid van economisch handelen
  • Voorkeur voor allocatiemechanisme

Lees meer...

Eigendom van de productiefactoren

Zijn deze in private handen, dan spreekt men van kapitalisme. Is de eigendom collectief, dan spreekt men van collectivisme.

Communisme: een ‘ideale’ maatschappij waarin alle goederen in gemeenschappelijk bezit zijn en verdeeld worden volgens behoefte.

Marx ziet dit als de ideale maatschappij.

Kapitalisme heeft te kampen met een aantal beperkingen: sociale beleid, milieupolitiek, de ruimtelijke ordening…  dit reduceert de beslissingsmacht van overheidswege.

 sommige private bedrijven ook in handen overheid (bv. nutsvoorzieningen)

Lees meer...

Centraal geleide economie

 een centrale overheidsinstelling (planbureau) bepaalt het verloop van het

economisch leven. (d.m.v. regelgeving/sancties)

Economie steunt niet op vraag en aanbod waardoor de consument niet soeverein is. Men kan slechts kiezen uit de door het planbureau ter beschikking gestelde goederen en diensten. (soms te weinig aanbod om inkomen te besteden  sparen) Eveneens de jobs zijn opgelegd vanuit de overheid.

Import/export hangen af van de planningsobjectieven en de mogelijkheid van producten zelf (binnenlands) te produceren.

Imperatieve planning: wanneer de overheid dwingende richtlijnen oplegt aan de

bedrijven.

Indicatieve planning: Bevat een voorspelling van de toekomstige economische

activiteiten waaruit algemene richtlijnen uit de private sector worden afgeleid.

 voert grote invloed uit op overheid, maar is wordt toch

niet vanzelfsprekend nagevolgd.

Contractuele planning: effectiviteit indicatieve planning doen stijgen door een contract af te sluiten met de private sector.

 bv. overheidssteun om planobjectieven te verwezenlijken.

Imperatieve planning heeft het politieke voordeel dat overheidsobjectieven (niet altijd) makkelijk te verwezenlijken zijn. Tevens moet er een aanzienlijk bedrag betaald worden om de inefficiënties die het met zich meebrengt te verwijderen.

In een moderne volkshuishouding is het verzamelen van informatie niet altijd makkelijk. Dit kan als gevolg hebben dat het productieproces stil komt te staan door bv. het ontbreken van een bepaald halffabricaat,…

 meestal worden hier de bedrijfsleiders gekozen op basis van hun politieke achtergrond.  niet toereikend voor het bedrijfsleven.

De arbeiders zijn niet gemotiveerd om te werken door de afwezigheid van consumptiemogelijkheden. Politieke beloning blijkt ineffectief te zijn.

Andere probleempunten zijn te grote uniformiteit en belabberde productkwaliteit.

 er wordt geen rekening gehouden met de nood van de consument.

De interne prijzen staan niet tot verhouding van de relatieve schaarste op wereldniveau. Ze kunnen dus niet dienen als basis voor internationale handel. Wel wordt er gekeken naar de prijsverhouding op de wereldmarkt.

Producten van hoge kwaliteit worden vaak voorbehouden voor de eigen bevolking

 moeten dienen om door export de buitenlands deviezen te verwerven die nodig zijn om politiek prioritaire behoeften door invoer te voorzien.

Von Hayek pleit voor radicaal liberalisme en is dus tegen de centraal geleide planeconomie.  verkrijgt bekendheid door het afwegen van socialisme tegen kapitalisme en markteconomie op zowel economisch als politiek en rechtsvlak.

In zijn “Individualism and Economic Order” stelt von Hayek dat het verspreiden van relevante feitenkennis de belangrijkste opgave van het economisch systeem is. (hoe groter de mobilisatie ervan, hoe efficiënter de economie) Hij zegt dat het niet mogelijk is dat individuen hun kennis in statische vorm aan de autoriteiten kunnen overmaken omdat de kennis uniek is (tijds- en plaatsgebonden). Hij kiest in de plaats voor het prijsmechanisme dat volgens hem het beste communicatie- en coördinatiemechanisme is. In ‘The road to Serfdom” en “The Constitution of Liberty” valt von Hayek het socialisme en de planeconomie aan. Eigendomsrechten zijn de belangrijkste waarborg voor ieders vrijheid. Hij pleit dat centrale economische macht niet veel verschilt van slavernij  er wordt te weinig rekening gehouden met de minderheden.

Hij stelt de rol van de relatieve prijzen centraal bij de allocatie van middelen in de economie.  nastreven van een stabiel prijsniveau sluit de mogelijkheid van onevenwichtige veranderingen in de relatieve prijsniveaus niet uit. Er is ene voortdurende verandering van lonen en prijzen is nodig om werkgelegenheid te realiseren en investeringen te realloceren in overeenstemming met veranderingen in de vraag.

Von Hayek pleit eveneens voor een demonopolisering van de gelduitgifte tegen de inflatie in zijn geldtheorie.

Lees meer...

Gemengde economie

 combinatie van marktallocatie en overheidsingrijpen.

De overheid is verantwoordelijk voor de collectieve goederen en financiert deze door middel van heffingen. De overheid kan de markt makkelijk beïnvloeden door middel van subsidies (positief) en regelgeving/bestraffing (negatief).

Lees meer...

Markteconomie

In een markteconomie steunt de allocatie (toewending) van productiefactoren en van producten volledig op het prijsmechanisme. Potentiële kopers en verkopers vinden elkaar dan in een algemeen ruilsysteem.

Er zijn 3 grote kenmerken:

  • Goederen worden slechts verkocht en productiefactoren ter beschikking gesteld voor zover de eigenaars ervan een vergoeding ontvangen. Omgekeerd zullen kopers ook slechts verwerving overwegen als ze aan het product een grotere waarde hechten als aan de tegenprestatie.  steunt dus op vrijwillige en wederzijdse voordelige ruil.
  • Het marktmechanisme is een gedecentraliseerd allocatiesysteem. Via de aankoop en verkoop wordt er informatie geleverd die de samenstelling van de productie bepaalt.
  • Het marktmechanisme steunt eveneens op het beloningsprincipe: het aanbod wordt gemotiveerd door de prijs. De relatieve prijzen bepalen de samenstelling van het productiepakket. Het initiatief tot productie gebeurt vanuit in private ondernemingen, met als drijfveer winstmaximalisatie. De rol van de overheid is tot een minimum herleid: financiën, ordehandhaving, defensie en buitenlandse zaken. De motor van de economische activiteit is concurrentie -> het continue streven naar meer welvaart.

De koopkrachtverdeling is niet steeds goed verdeeld. Dit heeft als gevolg dat de overheid steeds meer gaat ingrijpen op sociaal vlak.

Soms is er ook een gebrek aan efficiëntie wanneer de marktprijs slechts bepaald wordt door bedrijven met een machtsoverwicht.

De markteconomie is dynamisch, ze zal op wijzigingen in behoeften direct reageren met veranderingen in relatieve prijzen. Als er minder vraag is, gaan de prijzen dalen, en gaan bedrijven failliet of het kapitaal wordt naar een andere sector gedraineerd. Overschakeling van productiefactoren tussen sectoren kan resulteren in leegstand en werkloosheid.  cumulatieve bewegingen in negatieve zin.

Als het probleem blijft aanhouden gaat de overheid ingrijpen door bv. de import van de door de concurrentie ingevoerde goederen te verminderen.

De werking van een markteconomie is gebaseerd op afbakening en het afdwingbaar maken van private eigendomsrechten.

Commons: gemeenschappelijke weidegronden, oceanen, ozonlaag,…

Free riders: individuele huishoudingen die naar een maximaal persoonlijk nut op korte

termijn streven en de activiteiten van hun kosten op anderen afwenden.

 egoïstisch, naar de visie van voor wat, hoort wat.

 de overheid grijpt dan in met wetgeving en regelgeving zodat de

de instandhouding van gemeenschappelijk eigendom verzekert wordt.

Lees meer...

Allocatiemechanisme

 kan gebeuren door:

  • Enerzijds een gedecentraliseerd systeem op basis van vraag & aanbod (markteconomie)
  • Anderzijds een centrale overheidsinstantie (planeconomie)
  • (corporatisme -> nu niet meer)
Lees meer...

economische orde

Keuzes economische huishouding:

  • waar productiefactoren inzetten?
  • Welke goederen en diensten produceren?
  • Hoe de productie aanwenden voor de verschillende leden in de samenleving.

 impliceert:

  • maximale economische bedrijvigheid
  • maximale benutting van productiefactoren (arbeid, onderbenutting kapitaal,…)

 alle goederen moeten dus ook zo efficiënt mogelijk geproduceerd

worden

  • Dat het pakket aan goederen tot stand komt wat voor een hoger welvaart zorgt  vereist efficiëntie in de ruil.
  • Als er nog re-allocatie mogelijk is, is de huishouding niet optimaal.

Als er geen re-allocatie mogelijk is van goederen of diensten en er dus maximale welvaart is, spreken we van Pareto-efficiëntie.

Met de productiemogelijkhedencurve beschrijft men alle combinaties van goederen die maximaal kunnen worden gerealiseerd bij een efficiënte inzet van productiefactoren.

 hangt volledig af van de preferenties van de maatschappij

 in de realiteit moet men het ene objectief vaak afwegen tegenover het andere, we spreken dan van trade-off.

 te sterk nastreven van rechtvaardigheidsobjectieven bij het bepalen van de

vergoeding van productiefactoren kan leiden tot het verzwakken van de

ondernemings- en arbeidsgraad. (welvaart daalt)

 te sterk nastreven van de efficiëntie leidt soms tot politiek-maatschappelijke

ongewenste welvaartverschillen.

 er is dus een economische orde/organisatie vereist.

Lees meer...

Overige functies

  • Vele banken bieden ook verzekeringstransacties aan.
  • Ze geven tevens beleggings- en financieringsadvies aan particulieren en bedrijven.
  • Dienstverlening (verhuur safes, juridisch en fiscaal advies, …)

De middelen van een bank bestaan uit haar eigen vermogen, de leningen die ze bij andere financiële instellingen heeft aangegaan en de bij haar geplaatste beleggingen

(bv. zichtrekening)

Deze middelen worden aangewend voor de aankoop van ontroerende goederen, beleggingen en voor kredietverlening.

Vele banken doen ook buitenbalansactiviteiten: adviezen, garantstellingen,…

 hiervoor krijgen ze vergoedingen.

Banken lopen risico bij transacties in afgeleide producten (ook niet op balans).

Hierbij kunnen ze grote winst boeken, maar ook grote verliezen.

 cruciaal dat aandeelhouders de buitenbalansactiviteiten in het oog houden.

Ook banken gaan zich specialiseren.

Zo heb je investment en merchant banks.

Investment banks ontstonden in de VS en Duitsland om industriële projecten te helpen financiering te vinden. Merchant banks waren een afsplitsing van oude handelshuizen in Engeland en Holland, die zich toelegden) op de financiële afhandeling van de handelsverrichtingen. Er is nu geen groot onderscheid meer behalve dat de eerst genoemde zich toespitst op financiering van grote industriële bedrijven en de andere op handelsfinanciering.

Spaarbanken richten zich meer op een bepaalde groep (landbouwers, zelfstandigen, type financieel product,…)

Zakenbanken beleggen hun middelen in aandelen of in obligaties van industriële bedrijven. Ze treden ook op als uitgiftesyndicaten bij de plaatsing van obligatieleningen en geven advies bij fusie of overname van een bedrijf. Sommige leggen zich toe op durfkapitaal (voor jonge ondernemingen).

Holdings focussen zich op het beheer van de ondernemingen waar zij participaties in het kapitaal hebben genomen.

Institutionele beleggers:

- verzekeringsmaatschappijen

 beleggen hun reserves en via verzekeringsbons

trekken ze kapitaal aan.

- pensioenfondsen van ondernemingen of sectoren

- collectieve beleggingsfondsen

 verzamelen kapitaal van kleine beleggers en beleggen dit globaal om het

risico te reduceren

Openbare kredietinstellingen zijn financiële bedrijven waar de overheid hoofdeigenaar is. (vroeger sterk aanwezig in België, nu veel minder)

Branchevervaging treed op wanneer instellingen hun activiteiten buiten hun gebruikelijke domein uitbreiden.

Bv. Een bank die gaat fusioneren met een ander bedrijf om de klant een ruimer en voordeliger pakket aan te bieden.

Lees meer...

Geldschepping

De krediet of geldmultiplicator geeft het getal weer waarmee men een initieel deposito moet vermenigvuldigen om de maximale hoeveelheid giraal geld te bekomen, die het bankwezen met een gegeven liquiditeitsquote daaruit kan creëren.

(omzetting chartaal in giraal geld)

Liquiditeitsquote geeft de verhouding weer van de kasmiddelen op de onmiddellijk opvraagbare tegoeden die de banken willen in acht nemen om aan een mogelijke vraag van het publiek tot omzetting van giraal geld in chartaal geld te kunnen voldoen.

Hoe kleiner de quote hoe groter de multiplicator.

De som van een meetkundige rij (mbt geldcreatie)

De liquiditeitsquote kan berekend worden door de maximale geldcreatie te delen door het initiële deposito -> ZIE OEF! BLZ. 34

De reciproque kan berekend worden door het totaal aan additioneel giraal geld te delen door het initiële deposito.

MGH = maatschappelijke geldhoeveelheid = M1

ID = initieel deposito

MGC = maximale geldcreatie

Redenen waarom de feitelijke expansie eigenlijk niet zo groot is:

- de banken moeten een genoeg betrouwbare kredietaanvragen ontvangen

Ze kunnen het publiek aanmoedigen door lage intrest, maar ze mogen hun niet verplichten.

- De overheid legt soms de kredietmogelijkheid van banken aan banden door technieken die erop gericht zijn hun kasvoorraden te steriliseren (zodat zij niet als dekking dienen) door hun krediet bij de emissiebank duurder te maken of door directe kredietplafonnering.

- Banken ontvangen en betalen deposito’s aan het buitenland.

Betalingen zorgen ervoor dat de deposito’s niet meer gebruikt kunnen worden. Terwijl ontvangsten een nieuw geldmultiplicator in werking kan stellen.

- Het publiek kan een deel van hun giraal geld terug omzetten in chartaal geld wat tot gevolg heeft dat de werking van de geldmultiplicator zal worden geneutraliseerd en de kasvoorraden van de bank verminderen.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen