Menu

Item gefilterd op datum: januari 2014

Marxistische school

De leer van Karl Marx. Hij werd sterk beïnvloed door de Duitse filosofen Georg Hegel en Ludwig Feuerbach. Marx ontleent de idee van Hagel dat de geschiedenis de sleutel is tot de maatschappijwetenschappen die een organisch proces volgt geleid door de eigen geest.

Er ontstaat vooruitgang wanneer het idee (thesis) geconfronteerd wordt met het anti-idee (antithesis). Hieruit ontstaat de synthesis. Marx geeft deze visie een materialistische inhoud aan de hand van de visie van Feuerbach.

Hij ontleent de aliënatie  de producten van het sociale individuele of sociale handelen worden dingen die onafhankelijk zijn van de mens en ze uiteindelijk gaat domineren. Bv. Godheid en staat.

Marx beschouwt als drijvende kracht in de geschiedenis de manier waarop de mensen in hun behoeften voorzien.  economisch determinisme

  • Productiemethoden beïnvloeden gedrag en denken van mensen.

Met Adam Smith wijst Marx op de toenemende arbeidsverdeling en specialisatie bij de ontwikkeling van de productieve relaties in de economie. Terwijl Smith dit als de drijvende motor van de economie beschouwt, ziet Marx dit als iets negatief. Hij vindt dat arbeiders zich zo niet kunnen verder ontwikkelen als ze steeds hetzelfde doen. Hij schuift de schuld hiervan op de schouders van de bourgeoisie.

De productieve krachten (arbeid, kapitaal, natuur en arbeid) zijn in essentie dynamisch.

 bovenop deze onderbouw ontstaat een geheel aan economische relaties met het oog op productie  de economische structuur.

Bij de kapitalistische structuur bestaat deze uit het systeem van eigendomsrechten op kapitaal, natuur en het loonsysteem. Hier bovenop ontstaat een sociale superstructuur  een geheel van instituties om mensen conform te maken aan de economische structuur.

Marx maakt onderscheid tussen 2 burgers:

  • de burgerlijke economen (analyseren van de kapitalistische maatschappij)
  • de socialistische economen (bekretiseren maatschappij en komen op voor proletariaat)

In zijn werk Das Kapital, stelt Marx dat:

  • Dat dee kapitalistische ruileconomie resoluut leidt tot klassentegenstellingen en

uitbuiting van arbeiders.

  • Dat de kapitalistische economie zal tenondergaan door inherente contradicties
  • Dat de uitgebuite arbeiders als overwinnaars tevoorschijn zullen komen

Hij baseert zijn analyse op Smith’s en Ricardo’s waardeleer.

 de objectieve waarde van goederen wordt bepaald door de hoeveelheid erin verwerkte arbeid. Enkel arbeid is productief.

Het kapitaal heeft slechts een waarde gelijk aan de kosten van de erin vervatte arbeid.

De waarde van de arbeid bestaat uit een gedeelte om voort te bestaan, een gedeelte om lonen uit te betalen en een surpluswaarde gedeelte.

De kapitalistische economie is de centrale drijfveer het verkrijgen van deze surpluswaarde.

Enkel de industriële arbeid is voor Marx productief.

Hij vindt dat de dienstensector niets opbrengt aan de productie en dit slechts voor een minderwaarde zorgt.

De samenleving bestaat uit het marxisme uit 2 conflicterende klassen:

- de arbeiders

- de kapitalisten

 om te overleven moeten de arbeiders hun arbeid verkopen (van zich vervreemden)

Op basis van die waardeleer ontwikkelt Marx een ricardiaans ontwikkelingstableau.

 Hierin wordt de technologische vooruitgang beschouwd als motor van de sociale en economische dynamiek. De klassieke economen beschouwen dit echter niet.

Hij stelt tevens dat het kapitalisme uit een aantal wetten bestaan die haar eigen ondergang betekenen:

Kapitalisten streven naar surplusmeerwaarde  arbeid vervangen door kapitaal  productiviteit van arbeid stijgt  meeeerwaarde volgens Marx

Arbeidsrationaliserende investeringen zijn slechts een tijdelijke meerwaarde, wanneer concurrenten nieuwe technologie toepassen gaat deze echter verloren. Enkel de absolute meerwaarde blijft over  arbeiders die meer produceren als ze betaald krijgen.

Mechanisatie leidt tot een stijging van de idividuele meerwaarderatio

 er zijn minder uren werk nodig om de arbeider te vergoeden door de hoge productiviteit.

Deze visie wordt door Marx tenietgedaan door de toename van kapitaal in verhouding tot de ingezette arbeid.

De ingezette arbeid is de bron van de meerwaarde, en die moet over een steeds grotere hoeveelheid kapitaal verdeeld worden.

Macro-economisch  kapitaalintensievere productie  dalende meerwaardevoet (winst).

Het winstmotief leidt (via een aantal productiecrissisen  verdwijnen kleine ondernemers) tot een steeds kapitaalintensievere productiewijze en tot een steeds grotere economische concentratie. Door de crisis wordt een gedeelte van dit kapitaal waardeloos en stijgt de gemiddelde winstvoet opnieuw.

Mechanisatie leidt tot een toename van werkloosheid. De kapitalisten proberen de dalende winstvoet goed te maken door een hoger arbeidsuitbuiting (bv. langere werkdagen, onmenselijke arbeids voorwaarden,…)  loonvoet daalt.

De overproductiecrissenen worden geleidelijk aan sterker en langer  depressie

 stijging mensen in proletariaat  vereniging  productiemiddelen overnemen

Zonder de proletarische elite (communisten) zijn ze niet instaat het kapitalisme omver te werpen.

In zijn Communistisch Manifest beschrijft hij de contouren van de postapocaliptische productiewijze:

  • afschaffing van de private eigendom
  • een sterk progressieve inkomensbelasting
  • centralisatie staat van de kredietverlening en de communicatie- en transportmiddelen.
  • Uitbreiding overheidsbedrijven
  • Alle arbeid draagt dezelfde verantwoordelijkheid
  • Grotere verspreiding van het volk  minder onderscheid stad-platteland
  • Vrij onderwijs voor alle kinderen in openbare scholen

 zijn volgens zijn aanhangers zeer vaag

 er ontstaan 2 soorten socialisme hieruit:

- Het extreme leninisme

- Het gematigdere refomistisch socialisme

Hoewel hij lange tijd in London verbleef, blijken zij eerste volgelingen hoofdzakelijk uit Duitsers te bestaan: Karl Kautsy, Rudolf Hilferding, Rosa Luxemburg en Otto Bauer.

Lenin introduceert het marxisme in Rusland. In zijn visie stelt hij dat de kapitalistische landen door kolonisatie hun grondstoffenbevoorrading proberen veilig te stellen en in deze kolonies nieuwe grondstoffenbevoorrading trachten te bekomen om aan de dalende winstvoet te ontsnappen.

De exploitatie van de minder ontwikkelde landen maakt het de ontwikkelde landen mogelijk de levensstandaard van de arbeiders te verhogen en hun als bondgenoten te maken van het kapitalisme bij die exploitatie.

Lenin voort in 1921 de Nieuwe Economische Orde door als gevolg van een ineenstorting van de productie. Deze houdt in dat de meeste ondernemingen terug in private handen vallen.

Na de dood van Lenin, houdt Stalin nog even vast aan zijn regime. Nadat zijn voornaamste rivalen (Trotski en Bukharin) waren uitgeschakeld gaat hij met zijn vijfjarenplan (1928) resoluut voor de centrale planning: de nijverheid krijgt absolute voorrang en de landbouw gecollectiviseerd. Onderwijs in de economie wordt vervangen door technisch planonderricht.

Dit ontwikkelingsmodel wordt later al dan niet vrijwillig overgenomen door andere socialistische staten

De meer gematigde reformistische interpertatie van Marx in Engeland was vooral het werk van de Fabian Societies.  pleiten voor verzwakking kapitalistisch systeem door kleine hervormingen.  lagen samen met het syndicalisme (streeft naar samenleving waarin productie en distributie in vakbonden wordt verdeeld) aan de basis van de oprichting van de Labour Party.

Grondlegger van het revisionistisch socialisme is de Duitser Eduard Bernstein.

 kantte zich af tegen het historisch determinisme en achtte een ineenstorting van het kapitalisme onwaarschijnlijk. Socialisme moet volgens hem dus streven naar lotsverbetering van de arbeiders binnen die kapitalistische economie.

Deze stellingen haalden de overhand in sociaal en sociaal democr. partijen in West-Europa.

 Marxisme blijft slechts in beperkte mate meer aanwezig.

Lees meer...

Historisch-institutionalistische school

Stellen dat het economisch handelen niet los van zijn politieke, historische en sociale context kan bestudeerd worden.

De historische school kent 2 varianten: de Engelse en de Duitse.

De Duitse krijgt veel meer aanzien aangezien het neoclassicisme hier niet ingeburgerd geraakt. De Britse school heeft later wel invloed op het institutionalisme.

Duitse school:

Hegel  filosofische opvattingen

Friedrich Karl van Savigny  rechtsfilosofische opvattingen

(ieder volk heeft eigen waarden  Volksgeist  basis rechtregels)

 organische filosofie

Er zijn 2 subscholen:

  • de oudere gematigde
  • de jonge extreme

Oude school:

Wilhelm Roscher, Bruno Hildebrandt en Karl Knies

 proberen door historisch inductief onderzoek de wetten van de sociaal-economische ontwikkeling van landen te ontdekken en als dusdanig in verschillende ontwikkelingsstadia af te bakenen.

Engelse historische school:

Herbert Spencer en Darwin  biologisch werk

August Comte  positivistische filosofie

 zetten zich af tegen Ricardiaanse traditie

 geven economisch onderzoek een bredere basis door: sociologie, biologie en geschiedenis erbij te betrekken.

Hun werk heeft invloed op Alfred Marshall, W. Stanley Jevons en John Neville Keynes

 beschouwen allen economische geschiedenis als belangrijk bij eco. theorievorming.

De historische school slaagt er toch niet in de algemene wetten van de economisch-sociale orde te ontdekken . Toch is zij van betekenis:

- Ze maakt de historici attent op economische fenomenen

- Ze geven een krachtige stoot aan het belang van de economische statistiek.

Het institutionalisme is verwant met de historische school. Het is wel slechts een verzameling van auteurs die zich op bepaalde tijdstippen afzetten tegen het neoclassicisme van hun tijd.

Kenmerken institutionalistische paradigma:

- Ze verwerpen het neoklassieke homo economicus principe.

De mens is geen doelbewuste nutsmaximalisator maar zijn gedrag wordt aangewakkerd door biologische, sociologische en culturele factoren.

- Typisch is het ervoor pleiten dat de menselijke behoeften van binnen uit door het economisch systeem bepaald worden.  analyse: vaak behoeftecreatie.

De kapitalistische markteconomie roept volgens hen veel nutteloze behoeften op.

- In hun marktmodel gaan ze uit van onvolkomen concurrentievormen.

 veel minder belang aan het prijsmechanisme als sturend instr. van de volkshuishouding.

- Centraal in hun werk staat de vorming van maatschappelijke instituties en de invloed van deze op het economische leven.

- Gaat meer op naar sociale wetenschappen dan naar positieve. Ze schuwen het gebruik van wiskunde maar hanteren een empirische en interdisciplinaire benadering van de economie.

- Sterk tegen markteconomie  veelheid overheidsinterventies.

(heeft tevens een moraliserende ondertoon)

Het institutionalisme ontstaat in de VS op het einde van de 19de eeuw omdat ze zicht niet konden vinden in de Engelse neoklassieke visie.

Oorsprong bij Veblen hoewel de school het werk is van Commons en Mitchell

Lees meer...

Keynesiaanse school

Aan het begin van deze eeuw is het neoklassieke denken vooral gericht op de micro-economie. In de neoklassieke opvattingen op macro-economisch gebied staan de kwantiteitstheorie en de wet van Say centraal.

Ze ontkennen de mogelijkheid van onvrijwillige werkloosheid. Lonen en prijzen worden tevens flexibel verondersteld.

De macro-economie schept zijn eigen vraag en zorgt dus voor een macro-economisch evenwicht.  gepaard met full-employment  geld slechts ruilmiddel (hier irrelevant)

John Maynard Keynes zet zich af tegen de keynesiaanse leer in zijn opus magnum The General Theory of Employment, Interest and Money.

Hij is voorstander van het begrotingsbeleid om de tewerkstelling in perioden van depressie op te voeren.

 president Roosevelt  new deal politiek

later ook: Kennedy en Johnson  belastingsverlagingen

Keynes’ aanbevelingen over een anticyclisch budget worden orthodoxie in de leer van de openbare financiën van de jaren 50’ en 60’.

Jaren 30’  tegenstand Keynesiaanse leer.

o.l.v. Pigou  de dalende prijzen verhogen tijdens de depressie de reële waarde van de kasvoorraden en aldus de macro-economische vraag stimuleren en op die manier de tewerkstelling weer op niveau kunnen brengen  Pigou-effect.

Tot jaren 50, 60  keynesiaanse leer macro-eco.  jaren 70  Milton Friedman

 monetaristische contrarevolutie

Keynes’ verdienste: het macro-economische raamwerk ontrafeld in de economie.

Keynesiaanse leer vooral bekendheid door zijn leerlingen:

 John J. Hicks en A.H. Hansen.  Hicks-Hansen diagram

Lees meer...

Neoklassieke scholen

Zijn gebaseerd op de klassieke school, met het verschil dat men afstand neemt van de op louter arbeidskosten gebaseerde waardeleer van de classicisten. Tevens introduceren ze de marginaliteit.

Politcal Economy  Economie:een abstracte wetenschap met eigen wetmatigheden

 los van historisch-constitutionele factoren

Het neoklassieke denken ontstaat omstreeks eind 19de –begin 20ste eeuw in Engeland (Cambridge), Oostenrijk, Frankrijk-Italië (Lausanne) en de Verenigde Staten.

 verspreidt zich over de hele wereld,

 in sommige plaatsen waar de oorsprong zich bevond is een andere leer dominanter

 blijft toch de dominante denkrichting in de economie.

In de 19de eeuw ontstaat in Oostenrijk een school apart van het ‘mainstream’ Angelsaksische neoklassieke gedachtegoed. (vinden deze te statisch)

 leggen de nadruk op de niet te kwantificeren dynamiek van het kapitalistisch marktsysteem.

Kenmerken:

  • nadruk op literaire verbale presentatie van economische theorieën.
  • nadruk op het individuele menselijke gedrag onder ‘constraints’ als belangrijkste onderzoekdomein.
  • nadruk op methodologisch individualisme als onderzoeksmethode

 analyse van het collectief eco. Handelen is gebaseerd op een analyse van gedragingen van individuen waaruit de collectiviteit bestaat.

Voorlopers: von Thünen, Gossen en vo Mangoldt

1ste generatie: Carl Menger en volgelingen Friedrich van Wieser en

Eugen von Böhm-Bawerk

In de jaren 50’-60’ verliest de neoklassieke school zijn aanzien aan het keynesiaanse denken, het duurt tot in de loop van de jaren 70’ dat deze terug aanzien krijgt. (monetarisme)

Hoewel de neoklassiekers na WOII eigen onderzoeksmethoden en leerstellingen hebben, worden er toch een aantal markante evoluties geschetst.

Op macro-economisch vlak verwerft de moderne neoklassieke schol invloed door het monetarisme.  centraal het werk van Milton Friedman

Pleit tegen het keynesiaanse gedachte goed en hevig voor de vrije markt.

In de VS ontstaat in de jaren 70’ een school van aanbodeconomen

 macro-economisch aanbod, in navolging van Say, centraal.

Aanbod creëert de macro-economische vraag en niet andersom.

 voorstander van verlaging inkomensbelasting (hoger inkomens) en parafiscaliteit.

Arthur B. Laffer stelt dat een verlaging van belastingtarief een groei in de economische activiteit impliceert waardoor de totale belastinginkomsten hoger liggen.

Moderne Oostenrijkse school

 grotendeels neoklassieke school toch genoeg eigen kenmerken om een eigen school te vormen.

Volgens Mengers’ opvatting moet de economische analyse zich primair richten op de verklaring van de dieper liggende krachten die het marktgebeuren beïnvloeden

(bv. overheid, tijd, …) en niet op de verklaring van de prijzen.

 Wiskundig formalisme is niet bruikbaar volgens hem voor deze analyse

Kenmerken onderzoeksparadigma Oostenrijkse school:

- radicaal subjectivisme:

alle economische relaties zijn het gevolg van menselijke keuzen

(subjectief  iedereen is verschillend)

het nemen van economische beslissingen in een situatie van onzekerheid is de essentiële functie van een ondernemer

- methodologisch individualisme:

vertrekpunt van de economische analyse  studie van het individueel handelen.

Collectief beslissen  samenvoeging individuele beslissingen.

- causaal genetisme:

nadruk op de essentiële in plaats van op de functionele relaties.

Volgens hen is wiskunde niet in staat om essentiële economische mechanismen te beschrijven.

- non-sciëntisme:

Hayek: het mechanisch en onkritisch toepassen van onderzoeksmethoden uit de positieve wetenschappen op sociale problemen.

In de loop der jaren ontwikkelen ze hun eigen theorieën over:

de werkloosheid, de conjuctuur, de reclame, …

Hierin zetten ze zich sterk af tegen het socialisme en planning.

 proberen maatschappij te verstaan, niet te voorspellen.

 verdedigen het economisch liberalisme

 door dit ideeëngoed terug aanknoping met de sociale wetenschappen.

Derde generatie Oostenrijkse school:

Joseph Schumpeter en Ludwig von Mises.

Vierde generatie:

Friedrich von Hayek en Godfried von Haberler.

Huidige generatie:

Rothbarth, Kirzner en Lackman.

Lees meer...

Klassieke school

Vertegenwoordigers: Adam Smith, Thomas Malthus, David Ricardo,

John Stuart Mill en Jean Baptiste Say.

Politcal Economy is het studieonderwerp.

Ook al is er geen eensgezindheid, pleiten ze toch allen voor:

  • individuele vrijheid bij het economisch handelen
  • concurrentie
  • kapitaalaccumulatie (investeringen) en economische groei als middel bij uitstek voor de lotsverbetering van de mens.
  • Kwantiteitstheorie  neutraliteit van het geld staat centraal

Allen argwanend tegenover:

  • centrale planeconomie
  • overheidsinterventies (pleiten voor laisser faire)

 Mill neemt een speciale plaats in t.o.v. de rest.

Lees meer...

Fysiocratie

Ontstaat in Frankrijk als reactie op de verwaarlozing van de landbouw door de mercantilisten. Fysiocraten zijn van de mening dat het economisch leven door natuurwetten wordt geregeld. Oorsprong  François Quesnay (lijfarts Louis XV)

Quesnay pleit voor het instelling van privé-eigendom over de grond zodat deze vruchtbaar kan blijven zijn. Tevens is hij de eerste die de bevolking in klassen onderverdeelt. Hij stelt ook dat enkel de landbouw productief is.

(grootgrondbezitters, pachters, landarbeiders, ambachtslieden, handelaars.)

Hij vindt ook dat er zoveel mogelijk in de landbouw moet geïnvesteerd worden en is dan ook een voorstander van kapitaalintensieve en grootschalige landbouw, uitbreiding van het verkeersnet, vrije mededinging en matige belastingen op grondeigenaars, niet op boeren.  hij is tegen verbruiken van luxegoederen, men moet dit in landbouw steken.

(Tableau Economique  toont aan dat landbouwers op het einde van de kringloop de tegenwaarde van hun oogst terugverdienen.)

 Er wordt weinig toegevoegd door zijn volgelingen.

Turgot  zegt ook dat men moet beleggen in landbouw om ambachtswezen en handel te bevorderen. Hij ontwikkelt tevens een waardeleer waar naast de productiekosten ook de behoeften waardebepalend zijn en waarin hij als eerste de ruilwaarde (gebas. vraag en aanbod) van de fundamentele waarde (gebas. kosten) onderscheidt.

Lees meer...

Mercantilisme

Deze stroming verdedigt een geheel van maatregelen om de welvaart van de staat te vergroten (vooral door edele metalen in eigen land te verwerven).

Landen met goud proberen de afvloei te beperken door de import de beperken. Landen zonder goud ogen op een zo groot mogelijke import van goud en zilver.

 internationale conflicten

Bullionisme is de oudste vorm van mercantilisme en probeert door middel van wetten en verbodsbepalingen de afvloei van edel metaal (bullions) te beperken en de invoer te stimuleren.

De ‘East Indian Company’ verlegt de nadruk in Engeland naar het verwerven van handelsoverschotten via maritiem en commercieel mercantilisme.

Ze stellen dat afvloei ook positief (Thomas Mun) kan zijn wanneer men goederen kan aankopen die men kan verwerken en dan voor een hogere prijs aan het buitenland kan verkopen. import edel metaal. Maritiem mercantilisme pleit voor een eigen handelsvloot zodat de afvloei wordt beperkt. Engeland en Spanje verkrijgen een monopolie zodat ze kolonisten goedkoop aan de hand kunnen doen en kunnen ze de prijs van de uitvoer naar kolonies opdrijven

 koloniaal mercantilisme

In Duistsland ontstaat het Kameralisme (mercantilisme) als reactie op de armoede na de 30-jarige oorlog.

Lees meer...

Voorlopers

De eerste economische beschouwingen ontstonden door Thomas Van Aquino en Nicolas Oresmus in de middeleeuwen. Van Aquino formuleerde de leer van de kerk over de economische problemen van zijn tijd. Hij is tegen intrest en vindt dat de prijs van goederen slechts een beloning van de geleverde arbeid mag zijn (justum pretium). Oresmus verdedigt het bimetallisme.

De 2 stromingen die de klassieke leer voorafgingen zijn het mercantilisme en de fysiocratie.

Lees meer...

Ontwikkeling van economische theorieën

De meeste economische theorieën worden beïnvloed door de sociaal-economische toestand en de daarin heersende maatschappelijk-politieke opinies waarin men zich in die periode bevond.

Uit het klassieke denken ontstonden 3 stromingen:

  • neoklassieke stroming
  • historisch-institutionalistische stroming
  • marxisme

In de jaren 30’ ontstond dan door Keynes de keynesiaanse macro-economie.

Na de oorlog waren dit de 4 voornaamste economische stromingen.

Lees meer...

Transitieproblematiek

Gorbatsjov zorgde in 1985 voor het in gang zetten van politieke en economische hervormingen in de USSR: glasnost (openheid) en peristrojka (hervormingen).

 door gematigde beleid kunnen zich bevrijden uit de Sovjet-Unie zowel op economisch als militair vlak.

In 1991 mislukte staatsgreep  uiteenvallen van Sovjet-Unie.

 Gorbatsjov neemt ontslag  Sovjet-Unie houdt op met bestaan.

De 15 republieken werden nu onafhankelijk  transitieproblematiek

 dit gebeurt in 5 stappen:

- Macro-economische stabilisatie.

Alle landen gingen over van een planeconomie naar ene markteconomie. Reeds hiervoor werden ze geteisterd met economische problemen. Tijdens de overgang was er dan nog eens sprake van een hyperinflatie en een laag BNP. De eerste doelstellingen waren dus stabilisatie van het BNP en het bestrijden van de begrotingstekorten die inflatie als gevolg hadden.

- Privatisering van de economie.

Alle productiemiddelen begaan een overgang van de staat naar private eigendom. Als deze in private handen zijn heeft dit enkel positieve invloed op de economie. Private ondernemingen dragen meer zorg van de productiemiddelen en investeren deze beter.

Aantal belangrijke keuzes:

  • eerst herstructureren van bedrijven en dan verkopen of eerst privatiseren en dan herstructureren?`
  • verkopen voor geld, of gratis verspreiden?

- Liberalisering van de economie.

Dit impliceert dat men van een totale controle van de overheid moet overgaan tot de liberalisering van alle economische activiteiten, van de buitenlandse handel en de vrije loon- en prijsvorming. Marktprijzen, gevormd door vraag en aanbod zijn essentieel voor het bekomen van het economisch evenwicht. Dit zorgt ervoor dat ondernemerschap bevordert wordt, maar er ontstaat ook buitenlands concurrentie.

- Opbouwen van nieuw juridisch systeem aangepast aan de vrijemarkteconomie.

Nieuwe grondwet is noodzakelijk anders ontstaat er wild kapitalisme (wet van de sterkste). Bv. eigendomsrecht, vennootschapsrecht, concurrentiewetgeving,…

Hiernaast moet er ook aandacht geschonken worden aan de sociale en milieu wetgeving. Tevens is het stimuleren van ondernemen, het garanderen van vrij toetreding tot de markt en afbouwen van monopolies belangrijk.

- Opbouwen van nieuwe marktgerichte instituties. (van al dan niet bestaande)

Bv. de banken: zij moeten het betalingsverkeer efficiënt en veilig uitvoeren, kredietverleningen ontlenen en toewijzen aan kredietwaardige ondernemingen en financiële discipline afdwingen bij de marktpartijen.

Er zijn controles nodig om risico’s te vermijden.

Er is tevens een onafhankelijke centrale bank die het chartale geld creëert en min of meer de monetaire politiek bepaalt.

De rol van de staat wordt ook tot een minimum herleid net als de subsidies. Budgettaire middelen komen steeds meer uit een goed georganiseerd belastingsysteem.

De staat moet wel nog steeds zorgen voor een minimum aan orde, veiligheid en rechtszekerheid.

De gezinnen en bedrijven moeten dan ook voor de eerste keer autonoom beginnen werken en zijn niet meer afhankelijk van de staat

In de praktijk gebeurt dit niet echt volgens deze fasen, men moet kiezen uit 2 methodes:

Een graduele overgang of big bang shocktherapie. Bij de big bang therapie gaat men voor een direct privatisering van alles (bv. Rusland) en hoopte men dat de bedrijven de werkloosheid zouden verhelpen, terwijl bij de graduele overgang eerst alles wordt geherstructureerd vooraleer men volledig op privatisering overschakelt.(bv. Polen)

Door de verschillende uitslagen van de transities, is er bij de achterblijvers steeds minder begrip te bespeuren. De politieke steun voor het hervormingsprogramma neemt sterk af.

De voorstanders van de hervorming moeten dan ook tijdens de verkiezing afstand doen van hun plaats voor hervormde communistische partijen.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen