Welke Industriële Revolutie?
- Gepubliceerd in Geschiedenis
- Reageer als eerste!
De Industriële Revolutie werd gezien als een evolutie waarbij men ging naar een grotere arbeidsproductiviteit en naar economische groei via arbeidsdeling. Adam Smith heeft een belangrijke aanzet gegeven naar de context waarbinnen de Industriële Revolutie mogelijk werd gemaakt (zonder het ten volle te beseffen): hij heeft een organisatorische omwenteling van arbeidsorganisatie
besproken, namelijk concentreer arbeid: zet mensen samen, laat ze niet allemaal hetzelfde doen, maar laat hen hun deel van de arbeid doen.
arbeidsrationalisatie en productieverhoging
Het putting out systeem: vorm van concentratie van kapitaal en arbeid bij kooplui-ondernemers. Zij voorzien boeren van grondstoffen en nodige materialen. In ruil gaan boeren aan nijverheid doen (Vlaanderen: textiel). Machines, grondstoffen voor boeren dankzij de handelaars. Ze worden betaald per stuk dat ze produceerden.
Economische groei leidt tot welvaart. De bouwstenen van de Industriële Revolutie:
- Industriële productie
- Vast kapitaal
- Centralisatie en mechanisatie
- als kenmerk van de Industriële Revolutie: groeiende proletarisering en ‘verelendung’. Afhankelijkheid wordt centraal gesteld, een grotere groep mensen wordt afhankelijk (plichten via het werkboekje, verbod op groepering in een soort vakbond). Er bestonden controlemechanismen (bv. het werkboekje: evaluatie door de werkgever), die zetten de arbeiders vast, ook door het stakingsverbod (tot 1921). Niet werken is geen inkomen, daardoor is men afhankelijk van de patroons.
De interpretatie vindt plaats op verschillende schalen:
- regio’s en sectoren
- naties
- wereld-systeem
- mondiale schaal: maar: de Industriële Revolutie is vooral een West-Europees fenomeen
Op welke schaal moet men gaan bestuderen?
