Beïnvloed door vele krachten in interactie met elkaar
- Gepubliceerd in Psychologie
- Reageer als eerste!
Invloeden op ontwikkeling:
- Leeftijdsgebonden
- Gebonden aan geschiedenis
Niet-normatief
Invloeden op ontwikkeling:
Niet-normatief
Dit wil zeggen dat men benadrukt dat ontwikkeling kneedbaar en veranderbaar is.
Bv. iemand kiest ervoor om te studeren i.p.v. jong te trouwen. Wanneer nieuwe mogelijkheden zich aanbieden kan deze persoon gemakkelijk ineens wel trouwen en kinderen krijgen in haar dertiger jaren.
Geleidelijk aan wordt ontwikkeling wel minder plastisch als zowel de capaciteit en de kansen voor verandering verminderen.
Het is ook belangrijk te weten dat plasticiteit verschilt tussen individuen. (sommige kinderen en volwassenen ervaren meer verschillende levensomstandigheden)
1) De uitdagingen en aanpassingen van ontwikkeling zijn multidimensioneel, d.w.z. dat ze beïnvloedt worden door een ingewikkeld mix van biologische, psychologische en sociale factoren.
Hoe ouder je wordt hoe meer het fysieke, cognitieve en emotionele invloed gaat hebben op elkaar en hoe meer ze in elkaar gaan verstrengelen.
Elke aftakking is een weg die je inslaat, zoals bv. muziek, sport etc.
2) Ten tweede is de levensloopontwikkeling multidirectioneel (veelvormig)
Veelvormig heeft 2 betekenissen:
Niet altijd vooruitgang in alle domeinen
Bv. Goed in talen, maar dan minder goed in wiskunde
Vooruitgang en achteruitgang binnen hetzelfde domein
Bv. Het geheugen werkt minder goed (achteruitgang), maar je wordt toch beter in Duits doordat je daar bent geweest en je veel ervaring hebt opgedaan op vlak van die taal (vooruitgang).
Prenataal | Bevruchting tot geboorte |
Baby en peuter | Geboorte - 2 jaar |
Vroege kindertijd | 2 - 6 jaar |
Midden-kindertijd | 6 - 11 jaar |
Adolescentie | 11 - 20 jaar |
Vroege volwassenheid | 20 - 40 jaar |
Midden-volwassenheid | 40 - 60 jaar |
Late volwaasenheid | 60 jaar - overlijden |
Verschillende fasen in de ontwikkeling:
(zie boek pg. 8 voor uitleg bij elke fase!)
In elke fase komen veranderingen voor op vlak van 3 brede domeinen:
* Fysiek
* Cognitief Ze overlappen elkaar en werken op elkaar in
* Emotioneel en sociaal
De gemiddelde levensverwachting blijft stijgen. Onderzoekers zien ontwikkeling als een dynamisch systeem (= dynamische systeembenadering).
D.w.z. dat de ontwikkeling wordt gezien als een proces dat altijd verder gaat, zich uitstrekt van bevruchting tot dood, en vorm krijgt door een complex netwerk van biologische, psychologische en sociale invloeden.
Beïnvloed door vele krachten in interactie met elkaar
Erfelijkheid = aangeboren, biologische eigenschappen alle theorieën vinden beide belangrijk,
Omgeving = Fysische en sociale invloeden uit de omwereld maar klemtoon verschilt:
Sommige auteurs beklemtonen stabiliteit (= kinderen behouden hun relatieve positie) ERFELIJKHEID
Vb. als kleuter ne vlotte prater en later een tettergat (stabiliteit door een vroege ervaring)
Andere auteurs beklemtonen plasticiteit (=verandering is mogelijk) OMGEVING
Vb. als kleuter stil en verlegen maar later een even groot tettergat (mede door omgeving)
Vroeger: Aanhangers van stadiatheorieën; iedereen doorloopt zelfde sequentie van ontwikkeling
Nu: Meerdere vormen van ontwikkeling mogelijk door contexten (= unieke combinatie van
persoonlijke en omgevingskenmerken)
Bv.: een verlegen persoon ontwikkelt zich in een heel andere context dan heel sociale mensen die werkelijk op zoek gaan naar andere mensen.
(a) Continu
Volgers van deze theorie zien de ontwikkeling als een geleidelijk en continu proces. De individuen breiden geleidelijk een zelfde soort vaardigheden uit die er in het begin al waren.
(b) Discontinu
De ontwikkeling gebeurt stapsgewijs (in stadia *). Mensen veranderen snel als ze op een nieuw level staan en veranderen dan langzaam voor een tijdje. Bij elke nieuwe stap interpreteert en respondeert de persoon op een kwalitatieve andere manier (op) de wereld
* Stadia = kwalitatieve veranderingen in denken en doen, kenmerkend voor bepaalde perioden
Theorieën over ontwikkelingen:
Theorieën zijn van groot belang:
(1) Ze geven richting en betekenis aan wat we zien, dus ze helpen ons begrijpen.
(2) Ze zijn een basis voor praktijk, zo weten we wat te doen.
(3) Ze geven ons de mogelijkheid tot wetenschappelijke bevestiging, ze hebben daar behoefte aan
Er zijn 3 basisvragen:
Ontwikkelingspsychologie ontwikkelt zich door gecombineerde inspanningen uit vele wetenschappen.
Ontwikkelingspsychologie heeft belang voor praktijk.
Ontwikkelingspsychologie is een wetenschap die stabiliteit en verandering wil begrijpen over de levensloop. (‘human development’)
Bv. stabiliteit: angstige kleuter wordt later een angstige puber
Sterk gegrond in de existentiële filosofie, focust deze beweging op het individu tijdens de zoektocht naar identiteit, waarde en authenticiteit. De 19° Eeuwse geschriften van figuren als Kierkegaard, Nietzsche en Dilthey vormden de achtergrond voor de visie dat de mens alleen en ontmenselijkt is.
De 20° Eeuwse werken van Sartre, Camus en Jaspers boden verdere uitdrukking aan de basistoestand van angst en absurditeit in het menselijke bestaan.
De methodologische geschriften van Husserl en Heidegger droegen bij aan de ontwikkeling van de fenomenologie als middel om het holistische karakter van de menselijke ervaring te onderzoeken.
De gecombineerde existentieel-fenomenologische psychologie was een toepassing van een nieuwe richting in klinische omgevingen, vertegenwoordigt in Europa door psychologen als Merleau-Ponty en Binswager.
In Amerika, gingen de humanistische visies van Allport, Bühler, Maslow, May en Rogers akkoord met verschillende punten van zowel de Europese beweging als met de kern van de existentieel-fenomenologische psychologie zoals opgericht aan de Dusquene universiteit.
De derde kracht beweging is grotendeels een gefragmenteerde richting binnen hedendaagse psychologie. Hoewel dat het geen begrijpbaar alternatief voor de behavioristische formuleringen voorstelde, heeft de derde kracht beweging toch veel invloed gehad op klinische toepassingen, vooral bij therapeutische verwezenlijkingen.
Gebruik makende van Heideggers notie wezen-in de wereld (Dasein) noemde Binswanger zijn aanpak de Daseinssanalyse. Bewerend dat het reductionisme van de natuurwetenschappelijke methoden ontoereikend is, keek Binswanger naar de fenomenologie om een volledige uitleg te geven over de mentale activiteit.
Zijn doel was om de therapeut de wereld van de patiënt te laten ervaren zoals deze hem ervaart.
Binswanger aanvaarde de psycho-analytische nadruk op instinctuele manifestaties in een vroeg stadium, onderhield die belangrijkheid alleen maar in zoverre dat ze worden voorgesteld in het huidige bewustzijn
Zowel Binswanger als M-P geven de grootse focus van existentieel-fenomenologische psychologie weer door toepassingen in klinische omgevingen. Zulke existentiële thema’s als verlatenheid, depersonalisatie en absurditeit zorgen voor een context waarbinnen de individuele problemen van de existentie kunnen aanvaard worden.
Hoewel, een therapeut kan verwachten om een waar neurotisch bestaan enkel te begrijpen wanneer hij de individuen tegenkomt op hun niveau van persoonlijke betekenis.