Cobb Douglas functie
- Gepubliceerd in Economie
- Reageer als eerste!
Zeker lezen in boek p 186-187!!!
Zeker lezen in boek p 186-187!!!
Variabele meeropbrengsten ontstaan door de aanwezigheid van constante productiefactoren in het productieproces. (KT)
Op LT heeft de onderneming de mogelijkheid om alle productiefactoren te wijzigen. Men kan de schaal van de onderneming op LT inkrimpen of uitbreiden.
Een schaalvergroting wordt dan gedefinieerd als een gelijke proportionele toename van alle productiefactoren.
q = f(qA,qK) => q’ = f(λqA, λqK)
De verhouding tussen q en q’ bepaalt de gerealiseerde schaalopbrengsten.
Als alle productiefactoren met een bepaalde factor λ worden uitgebreid:
q’ > λq : toenemende schaalopbrengsten
q’ = λq : constante schaalopbrengsten
q’ < λq : afnemende schaalopbrengsten
Schaalopbrengsten hangen nauw samen met langetermijnbeslissingen: alle productiefactoren komen in beweging.
De oorsprong van toenemende en afnemende schaalopbrengsten is van technologische en organisatorische aard.
Toenemende schaalopbrengsten vinden vaak hun oorsprong in ondeelbaarheden bij het productieproces.
Vb. moderne weefgetouwen zijn geschikt om grote hoeveelheden textiel te produceren en doen dat efficiënter dan kleinere weefgetouwen.
Schaalvergroting kan overigens specialisatievoordelen van arbeid en machines opleveren.
Afnemende schaalopbrengsten kunnen ook te wijten zijn aan technische begrenzingen, aan omgevingsfactoren die remmend werken, en aan organisatorische problemen.
De fundamentele oorzaal van het uiteindelijk dalende verloop van de grensproductiviteit ligt in het feit dat een of meer andere productiefactoren constant blijven.
Er bestaat een bepaalde, technisch optimale verhouding tussen de productiefactoren. Als men die verhouding overschrijft door het toevoegen van meer eenheden van een bepaalde productiefactor, dan zal de meeropbrengst ervan dalen.
GP= =
GP = rico van de snijlijn uit de oorsprong naar het betreffende punt op de productiefunctie
= tan van de hoek α
q B
α
qA
GP(B)=
MP = de helling van de raaklijn in een punt van de productiefunctie
= de rico van de raaklijn
= de verandering in output als de arbeid met een kleine hoeveelheid toeneemt
Het gaat over de laatste toegevoegde waarde en de verandering die de toevoeging van die extra eenheid teweeg brengt.
MP=
Zie slides p 10-12 H5!!!!
In praktijk is het vaak zo dat de productiviteit eerst stijgt, dan een maximum bereikt, en dan afneemt.
= wet van de variabele marginale opbrengsten
Vb. je hebt 15 kappers en 10 zetels
Bij een constante kapitaalvoorraad heeft een toevoeging van een extra eenheid arbeid na verloop van tijd geen effect meer.