Menu

Item gefilterd op datum: december 2012

Kierkegaard (1813-1855)

Voor Kierkegaard is de concrete mens, het individu, het centrum van de wereld en de filosofie. Hij legde de nadruk op het geïsoleerde individu, dat hij niet of weinig in zijn sociale en historische omgeving beschouwt.

Hij vertrok vanuit een christelijk zelfbewustzijn en melancholie. Hij gaat uit van concrete ervaringen van het individu (ik): wat telt is de werkelijke existentie van de mens, want alleen daarover is volgens hem filosofie mogelijk en zinvol.

Wanneer je nadenkt over de situatie van de mens en de wereld, kom je tot het inzicht in de zinloosheid en leidt een denkend mens tot angst en wanhoop.

Hoe geraakt een mens uit de diepe en erg reële angst?

  • Niet door zich op het esthetische te gooien (de uiterlijkheden)

→ leidt tot verveling en nog diepere wanhoop

  • Niet door het ethische (de innerlijkheden)

→ staat reeds op een hoger niveau, maar verlost de mens toch niet uit de angst

  • Alleen door het opgeven van zichzelf aan God, het religieuze, dat je echter alleen maar kan bereiken via dit inzicht in de zinloosheid van de wereld en de wanhoop over je eigen bestaan

Daaruit volgt dat de mens voor zijn eigen leven verantwoordelijk is, dat hij existentieel moet denken en handelen en zich zonder voorbehoud aan het ontdekken van de christelijke waarden moet wijden, ook al leidt dat tot het martelaarschap.

Er zitten 2 belangrijke elementen in het denken van Kierkegaard:

(1) op zich aangewezen kan de mens slechts tot angst en wanhoop komen

→ dat is de ware existentie van de mens in de wereld

(2) door de overgave aan God komt de mens tot een zinvol hoger leven in het religieuze waar alleen nog redding kan gevonden worden

Samenvatting

Kierkegaard

  • het individu op zich
  • zocht de oplossing in de overgave aan een persoonlijke God

Marx

  • het individu is een deel van een sociaal-historisch bestel
  • zoekt de bevrijding door de revolutionaire verandering van de maatschappij

→ Sartre zal proberen beide denkrichtingen in een synthese te verenigen

Lees meer...

Schopenhauer (1788-1860)

Schopenhauer verzette zich tegen het absolute optimisme van Hegel. Zijn romantiek had oog voor de diepe onzekerheid van het menselijk bestaan dat vaak leidde tot zelfmoord.

Zijn filosofie berust op 2 stellingen:

(1) de wereld op zichzelf is Wil

(2) de wereld voor mij is Vorstellung (representatie, schijn)

Aan de vernietigende wil kunnen we niet ontsnappen, maar we kunnen op twee manieren het proces enigszins vertragen en afzwakken: eerst door de kunst, vooral de muziek die als een soort pijnstillend middel werkt.

De tweede manier is de godsdienst, die ons leert onze behoeften zoveel mogelijk te beperken, want hoe minder we van het leven verwachten, des te kleiner onze ontgoocheling zal zijn. Door een soort boeddhistische ascese komen we tot de negatie van de levenswil in ons, die hij het Nirvana (het Niets) noemt, het opgeven van het principium individuationis, waardoor we opnieuw in de grote wil opgaan. Dit inzicht in de diepe miserie van de mensheid voert volgens Schopenhauer tot rechtvaardigheid en medelijden, en daarop is onze moraal gebouwd.

Lees meer...

De dialectiek van Marx

Marx spreekt van aliënatie en reïficatie onder het kapitalisme.

Aliënatie

Marx onderscheidt 4 elementen van de menselijke aliënatie vandaag:

(1) de planning werd de meeste arbeiders ontnomen

(2) het product dat ze maken hoort hen niet toe

(3) het loon dat ze produceren is maar een deel van de door hen geproduceerde winst (theorie van de meerwaarde); het belangrijkste punt: hun hele leven, dat ze in de fabriek of op het kantoor doorgebracht hebben wordt hen een beetje ontnomen, zodat er op het einde niets meer overschiet van de mogelijkheden en talenten, waarmee ze als kind ter wereld kwamen

→ vervreemding

Reïficatie

Van de mensen in dezemaatschappij, waar een werktuig vroeger een aanhangsel was van de mens, om hem/haar bij de arbeid te helpen, worden de moderne fabrieksarbeiders aanhangsels van de machine die hen haar ritme oplegt. Dus in de plaats van de mens staan de dingen (res) meer centraal.

Hetzelfde gebeurt met de ruilmiddelen, die vroeger nog in zekere zin gecontroleerd werden: het geld heeft een zodanige macht gekregen dat het bijna een eigen leven blijkt te leiden.

Als materialist gelooft Marx niet dat ideeën alleen de wereld kunnen veranderen. Wel ziet hij de filosofie als een theorie die de reële toestanden van concrete mensen onderzoekt en onthult en die de mensen over hun situatie informeert, tot de mensen zelf bereid zijn zich uit hun onderdrukking te bevrijden.

Kritiek op Marx

De kritiek komt uit verschillende kanten:

  • de kerken verweten hem zijn aanvallen op godsdienst en kerk
  • de adel en de burgerij verweten hem dat hij de opstand preekte tegen het gevestigde gezag en hun de macht wou ontnemen
  • ….

→ zie boek pagina 75-76 voor voorbeelden

Lees meer...

De kritiek op het sociale bestel

De mens wordt pas mens, wanneer hij/zij bewust en vrij gaat produceren = door arbeid. Alleen mensen plannen, ontwerpen, veranderen en ontwikkelen zich.

Marx schetst de rol van de arbeid in de ontwikkeling van de mensheid van de primitieve tijden tot vandaag:

(1) het primitieve communisme

→ het werk diende om de leden van de stam in leven te houden

→ alle voedsel moest meteen worden opgebruikt

→ geen tijd voor cultuur of wetenschap

→ primitief = technologie

→ communisme = omdat er geen enkele deling van arbeid of klassen was, gemeenschappelijk

(2) eerste gemeenschappen die meer produceren dan ze voor het directe gebruik nodig hebben

→ dankzij de ontwikkeling van de technologie

→ meerproductie (overschot)

→ betere planning, specialisatie, arbeidsdeling, controle over het werk van anderen

(3) ontstaan van handel

→ door ruil met andere stammen die ook overschot produceren

→ de controle over die handel maakt het mogelijk om een kleine groep vrij te stellen voor studie, cultuur, wetenschap, rituelen en administratie

→ een heersende klasse ontstaat die zowel de goederen als de ideeën controleert

Deze overgang van de ene maatschappij naar de andere hangt volgens Marx fundamenteel met de materiële voorwaarden samen. De verandering kan slechts echt zijn als ze ook materieel gefundeerd is.

Marx stelt de uitbouw van een democratische, socialistische maatschappij die berust op twee pijlers:

(1) politieke en economische democratie

(2) de productiemiddelen moeten in handen van de gemeenschap komen: afschaffing van het privé-bezit

→ strijd

Lees meer...

De kritiek op Feuerbach

Marx gaat akkoord met Feuerbachs stelling dat de mensen zich moeten bevrijden uit het idealisme en de illusie van de godsdienst, maar hij wijst erop dat:

(1) dat de mens, de universele mens van Feuerbach, een abstractie is

→ we moeten kijken naar de levende mensen, zoals ze in de geschiedenis geleefd en gewerkt hebben en doorheen de geschiedenis in klassen van heersers en onderdrukten verdeeld zijn geweest

→ historisch materialisme: over welke periode en welke heel bepaalde sociale klassen gaat het hier?

(2) dat de godsdienst (de opium van het volk) twee kanten heeft:

  • de godsdienst dient ertoe de mensen gehoorzaam en volgzaam te houden
  • de godsdienst is de uiting van echte menselijke ellende, wellicht de enige uiting waartoe de arme en onderdrukte massa’s in staat waren

→ mensen winnen er niets bij wanneer ze de illusie van de godsdienst verworpen hadden, als ze niet tegelijkertijd inzicht kregen in de ware oorzaken van hun ellende en de middelen om hieraan wat te doen

Lees meer...

Feuerbach

Voor Feuberbach (1804-1872) was de filosofie de wetenschap van de hele werkelijkheid in haar totaliteit.

Hij legde de nadruk op de natuur, die zintuiglijk begrepen kan worden. Zintuiglijkheid, waarheid en de werkelijkheid zijn 1 groot geheel waarin het fysische en het geestelijke in de mens samenkomen.

Door de ervaring van de menselijke ellende, onrechtvaardigheid, armoede, onvrijheid enzovoort ontstaat bij de mensen een verlangen naar een hogere werkelijkheid waar allen rechtvaardigheid, welvarend en vrij zouden zijn. Zo projecteren ze hun verlangen op een niet-bestaande God in een niet-bestaande hemel. God is dus een schepping van de mens.

De filosofie van Feuerbach is een materialistisch humanisme. Het materialisme is duidelijk: alles gaat terug op de zintuiglijke wereld waarvan de menselijke geest deel uitmaakt. Alleen door zich te bevrijden uit de illusie van de godsdienst kan de mens zichzelf volledig ontwikkelen. Hij gebruikt voor die illusie de term Entfremdung: de mens heeft zijn eigenlijke opdracht afgestaan aan de door hem geprojecteerde bovennatuur en is daardoor gealiëneerd van zijn ware bestaan. Alleen als we al onze krachten aan de mensen wijden, kunnen we dit leven en deze wereld beter maken en een ander leven of een andere wereld bestaat er nu eenmaal niet. Hier is dus sprake van naastenliefde.

Daarnaast legde Feuerbach de nadruk op de mens, men spreekt dus van een antropocentrische (mens-gerichte) filosofie.

Kritiek op Feuerbach

De linksen verwijten Feuerbach:

  • dat hij het teveel over de abstracte mens heeft en te weinig over de historisch en sociaal concreet bepaalde mensen
  • dat hij de hele dialectische methode van Hegel als nutteloos opzij geschoven heeft, terwijl die methode juist de sleutel tot een nieuwe materialistische theorie kan bezorgen

Lees meer...

Het materialisme in het algemeen

Pré-socratici: Klein –Azië, wetenschappers die geïnteresseerd waren in de oorsprong van onze wereld en in de veelheid of eenheid, stilstand of beweging van al het bestaande.

Plato en Middeleeuwse filosofie: meer aandacht voor een idealistische filosofie die zich bezighoudt met God, de ideeën, de metafysica.

Opmerking: samenvatting pagina 133

Begin van de Westerse filosofie: Griekenland → conflict tussen de natuurwetenschappers (Thales tot Heraclitus) die empirisch werkten en de filosofen van Elea (Parmenides, Zeno) die eerder mathematisch gericht waren. Reeds toen botsen we op het onderscheid tussen stof (de materie) en vorm (de geest).

De idealisten gingen ervan uit dat alles oorspronkelijk geest (vorm) was.

Lees meer...

Hegel (1770-1831)

Zijn theorie berust op drie pijlers: (zeer belangrijk voor examen)

(1) logica

= ontologie of zijnsleer

→ gaat over het Zijn van God voor de Schepping: God bestaat zonder enige innerlijke tegenstelling

(2) natuurfilosofie

→ maar door de Schepping waarbij God zich vervreemdde in de materiële wereld, ontstaat een ongelofelijke contradictie tussen de zuivere geest en de stof

→ het is deze contradictie die de motor zal worden van elke verdere ontwikkeling.

(3) filosofie van de geest

→ deze ontwikkeling zie je al in de natuur, in de evolutie van het anorganische tot de planten en de dieren, maar eerst in de mens begint de terugkeer van de geest naar zijn oorsprong

Zo verklaart Hegel de hele ontwikkeling van de geschiedenis: terugkeer, via contradicties, van de geest uit het ‘anders zijn’ (de natuur) tot God.

Ook de mensheid maakt een langzame evolutie door:

(1) de mens is een intuïtief wezen

(2) verschijnend bewustzijn (het bewuste denken)

(3) hoogste trap van de evolutie: als subjectieve geest ziet hij zijn eigen geestelijke substantie als identiek met zijn bewuste (denkende en willende) handelen

Verbonden met deze evolutie van het individu voltrekt zich de evolutie van de door de mensen geschapen instellingen, die Hegel de objectieve geest noemt: het Recht, de Moraal, de Zedelijkheid.

Omdat elke stap van deze ontwikkeling zo belangrijk is en niets verwaarloosd mag worden, werd Hegels werk een soort samenvattende en verklarende encyclopedie van de hele menselijke cultuur vanaf de schepping.

Naast de uitwerking van het indrukwekkende systeem en het historische optimisme is Hegel vooral belangrijk voor de ontwikkeling van de dialectiek. (cfr. Heraclitus) Maar pas bij Hegel krijgt deze methode haar moderne betekenis. Uitgaande van de grote contradictie tussen God (Geest) en de Natuur (Stof, Materie) ontwikkelt Hegel zijn denken in overeenstemming met de dialectische gang van de wereld. Alles verloopt volgens het schema: thesis (T) – antithesis (A) – synthese (S)

Vb 1: zijn (T) – niet zijn (A) – worden (S)

VB 2: absolute monarchie (T) – volksmacht (A) – constitutionele monarchie (S)

Deze synthese is dus geen compromis (een beetje van allebei), maar het resultaat van een botsing tussen thesis en antithesis, die beide in de synthese worden opgeheven.

Opmerking

Pagina 133: zeer goede samenvatting

Lees meer...

Het begrip idealisme

Men kan twee soorten idealisme onderscheiden:

(1) gewone taalgebruik

→ een idealist is iemand die zich inzet voor een edel ideaal en desnoods bereid is voor zijn overtuiging te leiden

(2) filosofisch idealisme

→ het gaat hier om de prioriteit van de geest boven de stof (idee boven materie)

→ soms aanziet men de werkelijkheid van de materie als een illusie (parabel van de grot)

Morele idealisme ↔ egoïsme

Filosofisch idealisme ↔ materialisme

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen