Menu

Internationalisering van verhoudingen

Ontwikkelingssamenwerking is vaak geen zaak meer van land tot land, internationale organisaties worden steeds belangrijker op dit gebied. Individuele landen hebben steeds minder grip op zaken als economische verhoudingen, machtsverhoudingen en cultuur, die steeds verder geïnternationaliseerd worden.

• Economische internationalisering houdt in dat de economieën van de derdewereldlanden en westerse landen steeds meer afhankelijk worden van mondiale processen en structuren. Transnationale ondernemingen (ondernemingen met vestingen in meerdere landen) en internationale organisaties zoals het IMF en de Wereldbank gaan hierin steeds meer de dienst uitmaken.

• Internationalisering van de machtsverdeling houdt in dat uitgangspunten en randvoorwaarden voor economische politiek en ontwikkelingsbeleid steeds meer op internationaal niveau worden vastgesteld. Dat gebeurd onder meer in een groep van belangrijke geïndustrialiseerde landen in de EU, OESO, in het IMF en de Wereldbank. Afzonderlijke landen zijn steeds meer afhankelijk van wat er in deze organisaties wordt beslist.

• Internationalisering van de cultuur houdt in dat culturen elkaar steeds meer beïnvloeden door de toegenomen communicatie en communicatiemogelijkheden. Dit proces wordt vooral bepaald door een beperkt aantal internationale persbureaus en uitgeverijen die de nieuwsvoorziening in de hele wereld in de handen hebben. Dat alles nu in organisaties is geregeld wil nog niet zeggen dat ze dan alle problemen kunnen oplossen. Want in die organisaties zitten nog steeds zelfstandige landen die allemaal hun eigen belangen behartigen. Niemand kan gedwongen worden tot instemming. Maar het is wel in heb belang want het is de manier om grootschalige problemen aan te pakken zoals milieu, armoede. Het blijkt echter moeilijk te zijn de kortetermijnbelangen opzij te zetten voor het hogere algemene belang.

Lees meer...

Veranderingen in het beleid

Het is duidelijk dat het beleid voortdurend is bijgesteld. Dit heeft te maken met de steeds veranderende politieke en economische situatie, zowel in Nederland als in de Derde Wereld. De omgeving van het politieke systeem bepaalt wat de marges zijn waarbinnen veranderingen kunnen plaatsvinden. In het beleid betreffende ontwikkelingssamenwerking worden de marges bepaald door een viertal factoren:

• De politieke ontwikkelingen in Nederland zelf. Besluiten tot een bepaald beleid zijn altijd compromissen, waarin niet alleen de ideeën van de coalitiepartners meewegen, maar ook de belangen die spelen op ministeries.

• Het beleid van internationale organisaties. Het is logisch dat het Nederlandse beleid moet passen in het internationale beleid.

• Internationale ontwikkelingen. Na de Koude Oorlog gingen de economische systemen in het westen en in het Oostblokmee op elkaar lijken. Daarmee veranderde de situatie in veel ontwikkelingslanden, die op dat moment of op het Westblok of op het Oostblok gericht waren. Ook in de ontwikkelingslanden zelf zijn allerlei ontwikkelingen gaande. Er is namelijk sprake van een grote groep nieuwe generatie zelfbewuste leiders die kritisch stonden tegenover westerse hulp en bemoeienis. Daarnaast spelen de conflicten in ontwikkelingslanden zelf een grote rol. Door oorlogen en door natuurrampen, is er een grote behoefte aan noodhulp zoals voedsel en medicijnen.

• De globalisering van de economie. Allerlei ontwikkelingen zorgen ervoor dat economieën van landen steeds meer in elkaar vervlochten raken. Zo ontstaat er een wereldeconomie waarop de politiek nauwelijks invloed kan uitoefenen. Sinds 1990 zijn de belangrijkste veranderingen:

• De rol van de medefinancieringsorganisaties zoals de Novib is groter geworden.

• Er is meer aandacht gekomen voor de kwaliteit en de effecten van hulp.

• Het bedrijfsleven is een andere rol gaan spelen. In het verleden profiteerde het bedrijfsleven veel van gebonden hulp. Vanaf 1990 werd het belang van het bedrijfsleven ondergeschikt gemaakt aan dat van de Derde Wereld, die vooral wilt dat bedrijven in hun investeren.

• Er is meer aandacht gekomen voor andere problemen in de Derde Wereld dan de armoede.

• Nieuwe inzichten in ontwikkelingsstrategieën hebben geleid tot meer nadruk op marktgerichtheid. Men gaat er nu van uit dat het belangrijkste is voorwaarden te creëren waardoor ontwikkelingslanden op de handelsmarkt beter kunnen functioneren.

• Er is meer samenhang gekomen in het buitenlands beleid. Dat betekend dat geprobeerd wordt meerdere problemen tegelijk aan te pakken.

• Idealisme en pragmatisme worden gecombineerd. Er is niet genoeg geld beschikbaar om iedereen die arm is te helpen, ook al zou je dat graag willen (idealisme). Daarom wordt er nu structurele hulp gegeven aan minder regeringen (pragmatisme). Tegelijk wordt bij het geven van de hulp op de kwaliteit van bestuur en beleid en op de naleving van de mensenrechten in de landen die gesteund worden (idealisme).

Lees meer...

korte geschiedenis van de Nederlandse ontwikkelingshulp.

Tot 1945

Tot aan de Tweede Wereldoorlog is door de Nederlandse regering geen ontwikkelingsbeleid gevoerd. Ook andere Westerse landen bekommerden zich nauwelijks om de Derde Wereld. Veel derdewereldlanden waren kolonies van westerse landen. Ze werden bestuurd vanuit het moederland dat het eigenbelang voorop stelde.

De periode 1945-1972

Aanvankelijk was de hulpverlening nog erg beperkt. De Nederlandse regering begon in 1949 met het geven van 1.5 miljoen aan een project van de VN. In de jaren vijftig werd de roep om meer ontwikkelingshulp groter. In 1956 werd de Novib (Nederlandse Organisatie voor

Internationale Ontwikkelingssamenwerking) opgericht, de eerste particuliere organisatie zonder kerkelijke banden, die zich ging inzetten voor de Derde wereld. Mede daardoor kregen meer mensen aandacht voor wat er zich elders op de wereld opspeelde.

Aanvankelijk had de Nederlandse regering een duidelijke voorkeur voor een multilaterale benadering. Door de Koude Oorlog (die op dat moment op zijn hoogtepunt was) kwamen er politiek-strategische motieven om te bepalen wie hulp kreeg. In de tweede helft van de jaren zestig komt er bilaterale hulp, economische en commerciële motieven en eigenbelang lagen daaraan ten grondslag. Werkgevers wilden onze concurrentiepositie verbeteren ten opzichte van het buitenland en dat kon via ontwikkelingshulp. Tot 1972 steeg de bilaterale hup sterk.

De eerste periode Pronk 1973-1977

In 1973 kwam het progressieve kabinet Den Uyl aan het bewind. De sociaal-democraat Pronk (PvdA) werd minister van ontwikkelingssamenwerking. Hij gooide het roei om. Self-reliance werd het sleutelwoord. Hij vond dat de welvaartsongelijkheid bestreden moest worden en dat de armen mondig moesten worden; hij wilde hun op economisch en politiek gebied zelfstandig laten worden.

De periode 1977-1989

In 1977 trad het centrumrechtse Van Agt-Wiegel aan. De christendemocraat De Koning (ARP) ging een tweesporenbeleid voeren. Ook hij wilde de positie van de armen en de zelfstandigheid verbeteren. Er moest echter ook meer samengewerkt gaan worden met particuliere organisaties en met het bedrijfsleven.

De liberale minister Schoo (VVD) gaf vanaf 1984 prioriteit aan structurele armoedebestrijding. Blijvende verbetering van de leefomstandigheden van de meerderheid van de bevolking in de ontwikkelingslanden stond voorop.

Het bedrijfsleven kreeg daarbij een grote rol, maar aan de mensenrechten werd minder aandacht geschonken. De christen-democraat Bukman (CDA) zette in 1986 de lijn van zijn voorgangster voort.

De tweede periode Pronk 1989-1998

In 1989 kwam Pronk terug als minister van ontwikkelingssamenwerking. Hij boog het beleid van zijn voorgangers opnieuw om. De mensenrechten werden een belangrijk uitgangspunt. Structurele armoedebestrijding werd duurzame armoedebestrijding. Het begrip duurzame ontwikkeling werd voor het eerst geformuleerd. Duurzame armoedebestrijding betekent dat armoede bestreden moet worden door de productie te laten groeien, een rechtvaardiger inkomstenverdeling te bewerkstelligen en de milieugebruiksruimte in stand te houden.

In 1996 wilde Pronk een slagvaardiger buitenlands beleid gaan voeren ten aanzien van regio’s en landen. Ze wilden de immateriële doelen van het buitenlandbeleid meer in evenwicht brengen met de Nederlandse economische belangen. Er kwam ook meer programmahulp in plaats van projecthulp.

De periode Herfkens 1998 en verder

Minister Herfkens, partijgenoot en opvolger van Pronk in 1998, probeerde idealisme en pragmatisme aan elkaar te koppelen. Om efficiëntere hulp te kunnen verlenen besloot ze voortaan slechts een beperkt aantal regeringen te gaan steunen. Het aantal landen waarmee intensief werd gewerkt, werd teruggebracht van 118 naar 18. met nog eens 30 landen kwamen er minder verregaande vorm van bilaterale samenwerking.

Voortgaande op de lijn van Pronk bleef ze aan donorlanden eisen stellen over het naleven van de mensenrechten en het voeren van goed bestuur en beleid. (vanaf hier weer samenvatting leren)

Hoofddoelstellingen zijn nog steeds armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling. Op grond hiervan heeft de overheid enkele criteria ontwikkeld om landen te selecteren die voor rechtstreekse hulpverlening in aanmerking komen:

• Het sociaal-economisch beleid in het ontvangende land moet zo zijn dat de hulp ten goede komt aan een goot deel van de bevolking en/of aan bepaalde doelgroepen. De overheid van het ontvangende land moet met de projecten meewerken. Ook moet er in het sociaal-economisch beleid rekening worden gehouden met het milieu.

• De kwaliteit van het bestuur van het ontvangende land moet goed zijn. Daarvan is sprake als het land openheid van zaken geeft over de overheidsuitgaven, als ambtenaren integer werken en niet corrupt zijn, als er sprake is van eerlijke rechtsspraak, als de mensenrechten worden nageleefd, etc. De desbetreffende regering moet de maatschappij zo inrichten dat ontwikkeling mogelijk is.

• De landen moeten behoren tot de allerarmsten

• De behoefte aan hulp.

Voor landen die structurele, langdurige hulp krijgen, gelden extra criteria:

• De kwaliteit van de lopende hulpprogramma’s. niet alle hulp wordt even goed besteed. In het ene land zijn ook meer van dergelijke programma’s mogelijk dan in het andere.

• De rol van het land in het ondersteunen van de rechtsorde in de eigen regio. Bepaalde landen kunnen een stabiliserende factor zijn in de eigen regio door bijvoorbeeld te bemiddelen in conflicten tussen buurlanden.

• De relaties met Nederland op sociaaleconomisch of cultureel gebied en het bestaan van historische banden met bepaalde ontwikkelingslanden. Onze voormalige kolonies zouden op grond daarvan prioriteit verdienen. De VN heeft een norm gesteld voor de omvang van de ontwikkelingshulp die rijke landen zouden moeten geven. Dat is 0,7% van het BNP. Slechts weinig landen halen deze norm. De totale omvang van de ontwikkelingshulp in Nederland is in 1997 vastgesteld op 0.8%.

Lees meer...

Vormen van ontwikkelingshulp en ontwikkelingssamenwerking

Ontwikkelingshulp kan op verschillende manieren worden gegeven. Van belang daarbij zijn de kanalen via welke het geld naar ontwikkelingslanden gaat en de doelen waarvoor de hulp bestemd is.

Op grond van de kanalen kun je de volgende soorten hulp onderscheiden:

• Multilaterale hulp; deze hulp is afkomstig van meer landen. Het geld gaat eerst naar internationale organisaties die met deze bijdragen ontwikkelingsprojecten kunnen financieren. Het ontvangen van multilaterale hulp kan voordelen opleveren voor de ontwikkelingslanden.

Omdat het geld via internationale organisaties komt, spelen de politieke en economische belangen van de donorlanden een minder belangrijke rol. Bovendien maken de ontwikkelingslanden soms zelf deel uit van de internationale organisaties, waardoor ze kunnen meepraten over de besteding van de gelden. Een derde voordeel kan zijn dat een multilaterale organisatie zich, via deskundigen uit ontwikkelingslanden zelf, gespecialiseerd heeft in ontwikkelingssamenwerking. Zo wordt de hulp beter afgestemd op de behoeften.

Een nadeel is echter dat de rijkste landen het voor het zeggen hebben. als zij het niet eens zijn met de hulp die wordt toegepast, geven zij geen geldschenkingen meer. Het aantal stemmen dat namelijk per lid mag worden uitgebracht, hangt af van de financiële bijdrage die een lid levert.

• Bilaterale hulp; dit is hulp van land tot land. Nederland bepaald zelf aan wie hulp gegeven wordt en voor welke projecten. Deze hulp kan variëren van noodhulp tot structurele hulp. Aan het ontvangen van bilaterale hulp kan voor de ontwikkelingslanden een nadeel kleven; politieke en economische belangen van de donorlanden spelen vaak een grote rol. Deze hulp is ook vaak gebonden; het land moet het geschonken geld gebruiken voor aankopen van goederen en diensten in het donorland. Hulp van particuliere organisaties; als Novib, Hivos, Icco en Bilance is de overheid de belangrijkste financieringsbron.

Op grond van doelen kun je de volgende hulp onderscheiden:

• Noodhulp; is humanitaire hulp in noodsituaties als hongersnood, overstromingen en aardbevingen. Deze hulp bestaat uit onder andere geneesmiddelen, voedsel, tenten en bouwmaterialen.

• Structurele hulp; gericht op het verbeteren van de economische situatie in een land. Door deze hulp vind er vaak een langdurige relatie plaats tussen het hulpverlenende en het hulpontvangende land.

Voorbeelden van structurele hulp zijn kwijtschelding of verlichting van de schulden, de aanpassingsprogramma’s van het IMF, afspraken over het bevorderen van een eerlijker wereldhandel, afschaffen van protectionisme, etc.

• Programmahulp of sectorhulp is een vorm van bilaterale structurele hulp, die veel door Nederland wordt toegepast. Daarbij wordt geld gegeven voor bepaalde projecten die door mensen uit de donorlanden zelf worden opgezet. De projecten worden dus overgelaten aan lokale deskundigen

• Themahulp is een vorm van structurele hulp waarbij hulp wordt onderverdeeld in speciale categorieën of thema’s, zoals economie en werkgelegenheid, milieu, veiligheid en schuldverlichting.

• Gebonden hulp is hulp, waaraan de voorwaarde is gebonden dat de hulpontvangende landen de hulp moeten besteden in het hulpgevende land of bedrijven uit het hulpgevende land moeten inschakelen bij de uitvoering van projecten.

Toen de Nederlandse overheid in 1998 meer nadruk ging leggen op het verbeteren van de positie van de ontwikkelingslanden in het wereldhandelsverkeer, verminderde de gebonden hulp. Wel werd het Nederlandse bedrijfsleven vanaf dat moment door de overheid gestimuleerd om meer in ontwikkelingslanden zelf te gaan investeren.

Lees meer...
Abonneren op deze RSS feed

Advies nodig?

Vraag dan nu een gratis en vrijblijvende scan aan voor uw website.
Wij voeren een uitgebreide scan en stellen een SEO-rapport op met aanbevelingen
voor het verbeteren van de vindbaarheid en de conversie van uw website.

Scan aanvragen