Een onderzoeker wil weten of een lichtbehandeling bij mensen met een depressie werkt. Hij benadert hiervoor 2 GGZ instellingen in Amsterdam waar mensen met een depressie behandeld worden. In GGZ instelling A gaat hij mensen een behandeling van 1 uur per dag geven waarbij ze voor een lichtbak moeten zitten. In GGZ instelling B krijgen de patiënten een reguliere behandeling met antidepressiva. Deze onderzoeker heeft goed opgelet bij
Methodologie I en daarom meet hij de mate van depressie bij alle deelnemers aan het begin van de behandeling en aan het eind van de behandeling.
Welke uitspraak over dit onderzoek is waar?
a) Er zitten geen confounders in dit onderzoek.
b) In dit onderzoek is gecontroleerd voor rijping maar er is nog steeds sprake van een selectie bias.
c) Dit onderzoek voldoet aan alle voorwaarden van experimenteel onderzoek.
d) De enige confounders in dit onderzoek zijn rijping en regressie naar het gemiddelde.