Socialiserende instituties
- Gepubliceerd in Sociologie
- Reageer als eerste!
= instituties die specifiek in het leven zijn geroepen om mensen te socialiseren nl. de groepen of sociale contexten waarbinnen de socialisatieprocessen zich afspelen
= instituties die specifiek in het leven zijn geroepen om mensen te socialiseren nl. de groepen of sociale contexten waarbinnen de socialisatieprocessen zich afspelen
- ontwikkeling zuigelingen tot sociale wezens
→ door de handelingen van individuen rondom hen te imiteren
→ taking the role of the other: vanaf dit stadium beginnen kinderen een ontwikkeld zelfgevoel te krijgen door zichzelf door de ogen van anderen te zien
- zelfbewustzijn:
1. I (ik): spontane wensen en verlangens
2. Me (mij): al verinwendigde rollen
=> overgang in persoonlijkheidsontwikkeling van kind naar 5-jarige is het gevolg van rol verinwendiging
=> 8 tot 9 jaar: georganiseerde spelen
→ spelregels etc
→ begrip krijgen van waarden en normen die aan de basis liggen van het georganiseerde sociale leven
= generalised other: normen en waarden leiden zelfstandig bestaan, los van concrete personen die de normen doen toepassen
- belang van het onbewuste en van seks
→ persoonlijkheidsontwikkeling: proces dat spanningen oproept
→ driften controleren, maar dezen blijven krachtige motieven in het onbewuste
=> verschillende stadia: schenkt veel aandacht aan oedipale fase
= fase dat kinderen stilaan zonder het voortdurende gezelschap van de ouders kunnen
→ erotisch geladen spanningen
→ oedipus complex
- vorming van de identiteit van het kind: het bewustzijn dat het kind een eigen persoonlijkheid heeft, dat verschilt van anderen
→ ik, jij, mij – besef: besef dat anderen een eigen bewustzijn en behoeften hebben
- Ontwikkeling van de perceptievaardigheid
= verschillen waarnemen en daarop reageren
→ pasgeboren kinderen reageren al selectief op hun omgeving
→ perceptuele vaardigheden zijn eerst zeer zwak, maar vanaf enkele maanden nemen de visuele en auditieve capaciteiten snel toe
- Lachen en wenen
=> Volwassenen reageren selectief op het gedrag van hun baby:
→ gedrag wordt opgevat als betekenisvol: responsen van de baby worden sociaal gedrag baby huilt zonder bedoeling, maar afhankelijk van hoe de ouders hierop reageren, wordt het gedrag betekenisvol en dus sociaal gedrag
=> betekenis van wenen en lachen wordt toegekend = in alle culturen verschillend
- Zuigelingen en Verzorgers
=> baby herkent de moeder vanaf 3 weken: reageert op bepaalde kenmerken
→ vroege interactie tussen moeder en kind is niet zo natuurlijk als men soms denkt, is sterk cultureel bepaald
=> zeven maanden: baby ziet moeder als een op zichzelf staand persoon
→ tijdsbesef en besef dat voorwerpen en mensen een zelfstandig bestaan leiden, ook wanneer je er niet naar kijkt
=> leerperiode voor de moeder:
→ projecteren eigen kenmerken op de baby
→ leren gedrag van het kind te interpreteren en op een gepaste manier te reageren
- De ontwikkeling van sociale reacties
=> ontstaan van de sociale wereld: verschil/onderscheid maken tussen actieve en passieve dingen (bijv mensen en knuffels)
→ of dat dingen blijven bestaan, ook als zijn ze buiten gezichtsveld
=> Mildred Parten over spelen: aantal stappen
1. solitair: kind speelt op zichzelf
2. parallelle spelen: kinderen zijn zich bewust van anderen rondom hen, beginnen te imiteren
3. associative play: kind betrekt zijn eigen gedrag op anderen, maar blijft doen wat hij zelf wil
4. cooperative play: echte samenwerking
=> 1 tot 5 jaar: discipline en zelfbeheersing
→ lichaamsbehoeften controleren
→zich gedragen in verschillende contexten
=> 5 jaar: redelijk autonoom wezen
→ kan bijna onafhankelijk routinematige activiteiten uitvoeren van het leven thu
- gehechtheid en verlie
=> Bowlby: moederlijke deprivatie: kinderen die geen hechte en liefdevolle verhouding met hun moeder ervaarden, kunnen later persoonlijkheidsstoornissen krijgen
→ e.g. Rhesusapen: niet zozeer contact met moeder was belangrijk, eerder gehechtheid aan soortgenoten in het algemeen
- Deprivatie bij kinderen
=> kind moet consistente relaties met anderen opbouwen waarbinnen her zich emotioneel kan hechten aan anderen
→ niet noodzakelijk de moeder zelf
→ vorming van stabiele, emotioneel zeer hechte relaties met anderen is voor het kind onmisbaar
=> Korte vs. lange termijn gevolgen
→ korte: ontreddering
→ lange: achterstand in taal- en intellectuele ontwikkeling
- socialisatie door interacties die kinderen met anderen aanknopen
→ wederkerigheid: kinderen beïnvloeden ook gedrag van hun omgeving
- Repressieve versus tolerante socialisatie: (schema: p 66 + nota’s)
1. Repressieve socialisatie= wanneer de betrokkenheid van het kind in zijn socialisatieproces wordt benadrukt
2. Tolerante socialisatie= wanneer de rol van de opvoeder wordt benadrukt, het kind moet vooral gehoorzame
- socialisatie = iets geschikt maken voor sociale omgang, een individu vormen zodat het zijn steentje kan bijdragen aan de maatschappij
→ is niet slechts cultureel programmeren, is een actief proces waar men actief aan deelneemt
→ gaat je hele leven door
→ primaire socialisatie vs. secundaire socialisatie
- essentieel:
→ voor voortbestaan van de maatschappij: wordt met ieder nieuw lid ‘herbrond’
→ voor individu: leert vaardigheden en wordt een zelfbewust persoon met een eigen identiteit (dus individu krijgt pas zelfstandigheid en zelfbewustzijn dankzij de sociale processen waarvan ze deel uitmaken)
- begint al voordat het individu geboren is: geboorteplanning, abortus, …
- mens dankt alles aan de sociale omgeving waarin hij terecht komt
→ menselijk gedrag is aangeleerd
→ zelfs meest elementaire activiteiten
e.g. slapen
→ ook complexe gedragingen
e.g. groeten
- Het geval Genie: illustreert hoe essentieel sociale contacten zijn voor de ontwikkeling van een kind of wat van een mens zonder sociale contacten terecht komt p 63
- Enfants Sauvages:
→ menselijke mogelijkheden zijn zeer beperkt indien ze zich niet kunnen ontwikkelen tijdens een vroege socialisatieperiode
=> menselijkheid is GEEN biologische factor, maar een sociaal-culturele verworvenheid
=> mens is een sociaal wezen omdat de sociale omgeving hem vormt
- men ontleent zaken aan een andere cultuur dan de zijne
→ Deze zaken krijgen vaak een andere betekenis en worden zo ingepast in de eigen cultuur
→ voorbeeld: Cargo Cultures
- Murdock: er bestaan culturele universalia
= kenmerken die voorkomen in alle, of zo goed als alle culturen
→Bijvoorbeeld taal: grammaticaal ontwikkelde taal is typisch menselijk en komt
in elke cultuur voor
- Kritiek: biologisch fundament + binnen universalia grote verschillen
- spreken en schrijven:
→ Ontwikkeling van het schrift als één van de belangrijkste omwentelingen in de menselijke geschiedenis
→ Gesproken woord:
- Semiotiek en materiële cultuur:
→ Semiotisch systeem = systeem van niet-verbale culturele betekenissen
→ Studie bruikbaar voor vergelijking verschillende culturen (eg wijze waarop gebouwen in steden geordend zijn)
<-> materiële cultuur: voornamelijk bevrediging van fysieke behoeften
→ Classificeren van maatschappijen adhv hoe zijn hun fysieke behoeften bevredigen
- eigen gedragspatronen die vreemd lijken in de ogen van mensen met een andere culturele achtergrond
→ Iedere handeling die uit haar context beschreven wordt, lijkt vreemd
=> cultuur moet bestudeerd worden in termen van zijn eigen betekenissen en waarden
= cultuurrelativisme
- etnocentrisme: waarden, normen, praktijken en denkbeelden uit een andere cultuur interpreteren in het licht van de waarden en normen van je eigen cultuur
- neutrale betekenis
= waarden en gedragsnormen verschillen van cultuur tot cultuur omdat de natuur ons niets oplegt
- tussen culturen en binnen culturen:
→ Binnen een cultuur zijn er gemeenschappelijke basiswaarden en veronderstellingen
= culturele uniformiteit in kleine maatschappijen
→ Geïndustrialiseerde maatschappijen: subculturen
- Emile Durkheim: instituties bestaan buiten het individu en leggen zich dwingend aan dat individu op
- Arnold Gehen: menselijke vroeggeboorte + instinctloos
→ Gevoelig voor invloeden van de omgeving omdat mens na zijn geboorte nog een groot deel van zijn biologische ontwikkeling moet doormaken
→ Nood aan stabiliteit en sociale institutiesom onze tekortkomingen te compenseren
- sociale instituties = cultureel gebonden gedragspatronen die aan het menselijk leven een stabiliteit geven die zijn biologische constitutie hem niet kan geven
→ Achtergrondfunctie: lossen problemen op nog voor deze zich voordoen
- historische oorsprong moeilijk achterhaalbaar + levensbelangrijke functie
- desinstitutionalisering: in moderne maatschappij is stabiliteit van instituties verzwakt
→ Onrust en onzekerheid want mens trekt alles in twijfel
- mensen hebben geen instincten
→ Instinct = aangeboren complex gedragspatroon
- mensen hebben wel:
→ Reflex: respons, evolutionair voordeel
→ Drift: noden van het lichaam die tot uiting komen onder de vorm van een fysiek gevoeld onbehagen of behoefte
- 2 mechanismen:
Genetische variatie:
= veranderingen in het genetisch materiaal die gunstig zijn voor de ontwikkeling van een soort treden op
Natuurlijke selectie:
= nakomelingen met betere genetische eigenschappen hebben meer overlevingskansen en nakomelingen zonder deze eigenschappen gaan verdrongen worden
- Mensen en apen
→ Huidige apen en mensen stammen af van primaten (soort die zich 70 miljoen jaar geleden ontwikkelde)
→ Culturele ontwikkeling was toen ook al een tijd bezig
=> co-evolutie
1. Gebruik van werktuigen en communicatievormen speelde een belangrijke rol in het biologisch evolutieproces
2. Biologische evolutie van de hominiden speelde rol in de culturele evolutie
- Sociobiologie
→ Wilson: verklaart sociaal gedrag door genetische factoren
→ Genetic pools: mensen gedragen zich onbewust op zo’n manier dat de kwaliteit van hun genenpool geoptimaliseerd wordt
= reproductieve strategie
→ Verschil in seksueel gedrag tussen mannen en vrouwen
= mannen: miljoenen spermatozoïden, willen nakomelingen verspreiden
= vrouwen: 1 eicel, zoeken bescherming van hun nakomelingen
- kritiek op de sociobiologie
→ Verscheidenheid en plasticiteit van mensen verdwijnt
→ Psychologische, sociale en culturele factoren spelen ook een rol