Factoren die verband houden met kindermishandeling
- Gepubliceerd in Psychologie
- Reageer als eerste!
Vroeger: psychische stoornis ouder
Nu: ecologische theorie (Bronfenbrenner)
Vroeger: psychische stoornis ouder
Nu: ecologische theorie (Bronfenbrenner)
Er zijn verschillende vormen van kindermishandeling:
Patronen:
Etnische groepen hebben verschillende ideeën en praktijken over opvoeding van de kinderen.
Conclusies: opvoedingsstijlen kunnen alleen begrepen worden in bredere ecologische context.
Het is niet enkel zo dat een goede opvoeding leidt tot brave kinderen, ook zijn brave kinderen makkelijk op te voeden.
Longitudinaal onderzoek toont aan dat democratisch opvoeden negatief gedrag vermindert en dat controlerend optreden problemen doet toenemen. Ook is de relatie tussen parenting en de eigenschappen van kinderen wordt steeds meer bidirectioneel.
Verklaring van de werking:
3 opvoedingsdimensies: WARMTE, CONTROLE en AUTONOMIE TOEKENNEN
Democratische stijl
Controle: hoog, maar past zich aan
Autonomie: aangepast niveau
Autoritaire stijl
Controle: hoog
Autonomie: laag
Kinderen die hieraan blootgesteld zijn, zijn vaak angstig, teruggetrokken, uitdagend en agressief
Toegeeflijke stijl
Controle: laag
Autonomie: niet aangepast aan de leeftijd, ze kunnen en mogen altijd alles
(ze doen dit uit overtuiging of bij gebrek aan vertrouwen van het eigen kunnen)
Niet-betrokken stijl
Controle: laag
Autonomie: onverschillig, de ouders zijn er niet mee bezig
(ze doen dit doordat ze depressief zijn of te veel stress hebben, waardoor geen aandacht voor de kinderen)
2 dimensies: WARMTE en CONTROLE
Democratisch meest succesvol
Autoritair geen uitleg geven bij straffen door gebrek aan warmte
Toegeeflijk
Niet-betrokken
Tot nu toe zijn er verschillende opvoedingspraktijken afzonderlijk bestudeerd (bv. sensitiviteit, model bieden)
Nu worden deze opvoedingsstijlen samengebracht in een globale visie op effectief opvoeden
Opvoedingsstijlen = combinaties van opvoedingsgedragingen die voorkomen over een breed bereik van situaties en daardoor een duurzaam opvoedingsklimaat doen ontstaan
4 opvoedingsstijlen:
Algemeen: ervaringen die ingaan tegen stereotypen
> Ouders kunnen zelf minder aan zulke stereotypering doen, in eigen gedrag en in aanbod activiteiten aan de kinderen.
> Leraren kunnen hun omgang met meisjes en jongens aanpassen. Ze kunnen er voor zorgen dat alle kinderen evenveel deelnemen aan gestructureerde activiteiten door volwassenen als ongestructureerde activiteiten
> Kinderen afschermen van tv
> Taal met stereotype uitdrukkingen vermijden
> Kinderen wijzen op uitzonderingen op de regel (bv. ongewone beroepen)
> Redeneren hierover helpt om ‘gender-biased’ denken te verminderen
= informatieverwerkingsbenadering van geslachtsrolstereotypering die elementen combineert van sociale leertheorie en de cognitieve ontwikkelingstheorie. Ze legt uit hoe dat zowel omgevingsinvloeden als het denken van het kind samen vorm geven aan de ontwikkeling van geslachtsrollen bij kinderen.
Geslachtsschema’s hebben een sterk effect!: wanneer kinderen anderen op een inconsistente manier zien gedragen, kunnen ze:
- Zich de informatie niet herinneren
- De herinneringen vervormen tot ze overeenkomen met de geslachtsschema’s
bv. een verpleger is in hun herinnering een dokter
En omdat genderschematische kleuters concluderen dat wat zij leuk/lekker vinden, andere kinderen van hun eigen geslacht ook moeten leuk/ lekker vinden, gebruiken ze vaak hun eigen voorkeuren om toe te voegen aan hun gendervooroordelen.
bv. meisjes lust geen oester, dus denken ze dat alleen jongens oesters lusten.
Sociale leertheorie:
- Gedrag komt voor zelfperceptie
- Geslachtsstereotiep gedrag leidt tot geslachtsidentiteit
Cognitieve ontwikkelingstheorie:
- Zelfperceptie komt voor gedrag
- Kinderen ontwikkelen een geslachtsconstantie(‘gender constancy’)
= inzicht dat het geslacht biologisch bepaald is en hetzelfde blijft, zelfs als de kleren, haarstijl en
spelactiviteiten veranderen. (verworven aan het einde van de kleutertijd, 6 jaar)
-> Dit idee gaan ze dan gebruiken om hun gedrag te leiden.
Het beheersen van deze geslachtsconsistentie is geassocieerd met de verworvenheid van conservatie en verschijning – realiteit.
Opgelet: kinderen informatie geven over genitale verschillen resulteert niet in geslachtsconstantie
-> suggereert dat cognitieve onrijpheid, niet sociale ervaring, verantwoordelijk is voor de moeilijkheid voor
kleuters om te permanentie van de sekse te begrijpen.
Maar dit kan niet alles verklaren, ook jonge kinderen vertonen al geslachtsgebonden gedrag.
De rol van geslachtsconstantie in ontwikkeling van de geslachtsidentiteit is onduidelijk
Maar zodra kinderen over geslachtsrollen nadenken, wordt hun geslachtsgebonden gedrag versterkt.
Gender-schema theorie
- Combinatie van sociale leer- en cognitieve ontwikkelingstheorieën
= beeld van zichzelf als iemand met relatief mannelijke of vrouwelijke kenmerken.
3 vormen:
Mannelijk
Vrouwelijk
Androgynie
Ongedifferentieerd
Geslachtsidentiteit is een goede voorspeller van psychologische aanpassing:
> Mannelijke en androgyne hebben een hoge zelfwaardering
> Vrouwelijke hebben een lage zelfwaardering (vrouwelijke kenmerken zijn niet sterk gewaardeerd in de maatschappij)
> Androgyne mensen zijn ook flexibeler, ze passen zich aan aan de situatie
bv. mannelijke onafhankelijkheid of vrouwelijke sensitiviteit, afhankelijk van de situatie
Beroepen, vrijetijdsactiviteiten, entertainment tv en prestaties van mannen en vrouwen ...
> Versterken gedrag dat past bij het eigen geslacht
> Bekritiseren het gedrag dat hoort bij het ander geslacht. Jongens laten jongens met “vrouwelijk” gedrag laten ze links liggen.
> Jongens en meisjes hebben een andere stijl van sociale beïnvloeding waardoor ze minder met elkaar omgaan
> Kleuters bevoordelen hun eigen groep.
> Meisjes worden meer aangemoedigd om deel te nemen aan activiteiten die gestructureerd zijn door volwassenen, jongens worden meer aangemoedigd om deel te nemen aan ongestructureerde activiteiten.
Meisjes gaan zich meer rond de leraar nestelen en de aanwijzingen volgen, terwijl jongens aangetrokken worden door de plaatsen in de klas waar de leerkrachten het minst bij betrokken worden.
> Leraren zijn meer afkeurend en controlerend tegenover jongens